Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:995

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
15-4388 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is ongeveer 2 jaar later gemaakt, zodat dit onredelijk laat is. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4388 WWB

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

19 mei 2015, 15/696 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 28 maart 2012 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand. In dat kader heeft op 10 april 2012 een gesprek tussen een bijstandsconsulent en appellant plaatsgevonden. Bij brief van 16 april 2012 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 24 april 2012. Omdat appellant inmiddels werk had gevonden, heeft hij zich voor die afspraak afgemeld. Uit nader telefonisch contact met appellant in het kader van de verdere afhandeling van de aanvraag heeft de bijstandsconsulent opgemaakt dat appellant zijn aanvraag wilde intrekken. Deze intrekking heeft het college bij brief van 24 april 2012 aan appellant bevestigd.

1.2.

Op 8 mei 2012 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. In dat kader heeft op

21 mei 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen een bijstandsconsulent en appellant. Naar aanleiding van dit gesprek heeft appellant de aanvraag ingetrokken door middel van een op

21 mei 2012 ondertekend ‘intrekkingsformulier aanvraag’. Deze intrekking heeft het college bij brief van 22 mei 2012 aan appellant bevestigd.

1.3.

Namens appellant is bij brief van 1 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen de brieven van

24 april 2012 en 22 mei 2012. Bij besluit van 30 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij de aanvragen om bijstand van 28 maart 2012 en 8 mei 2012 alleen wilde intrekken indien duidelijk was dat hij geen recht op bijstand zou hebben. Het college heeft appellant die duidelijkheid evenwel niet kunnen geven, zodat ook geen sprake is van ingetrokken aanvragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd toegelicht dat het hoger beroep zich richt tegen het oordeel van de rechtbank over het bezwaar tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvragen om bijstand van 28 maart 2012 en 8 mei 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bezwaar dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking niet aan een termijn gebonden. Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het bezwaar niet-ontvankelijk indien het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.

4.3.

De Raad zal de vraag of de betreffende aanvragen zijn ingetrokken, onbesproken laten, gelet op het volgende. Zelfs als ervan moet worden uitgegaan dat de aanvragen niet zijn ingetrokken, zijn de bezwaren tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen van 28 maart 2012 en 8 mei 2012 in dit geval onredelijk laat ingediend. Appellant wist ten tijde van de brieven van 24 april 2012 en 22 mei 2012 dat het college niet van plan was om te beslissen op de aanvragen van 28 maart 2012 onderscheidenlijk 8 mei 2012. Appellant heeft vervolgens niet eerder dan bij brief van 1 mei 2014 bezwaar gemaakt. Namens appellant is, hiernaar ter zitting gevraagd, geen andere reden voor de vertraging van (ongeveer) twee jaar gegeven dan dat appellant niet wist wat hij moest doen. Dit betekent dat het college het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvragen van 28 maart 2012 en 8 mei 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellant zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A. Mansourova

RH