Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
16-1913 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1286, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van kinderopvang. Geen bijzondere omstandigheden voor vergoeding van kosten die meer dan een jaar voor de aanvraag zijn opgekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1913 PW

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2016, 15/3888 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 3 november 2014 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van kinderopvang ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 10 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college die aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten voor kinderopvang meer dan een jaar voor de datum van de aanvraag zijn gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Volgens vaste rechtspraak vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zijn meer dan een jaar voor de ontvangst van de aanvraag opgekomen. Dat appellante pas later een factuur heeft ontvangen, wat daar verder ook van zij, maakt dit niet anders. Het college heeft met de afwijzing in overeenstemming met zijn buitenwettelijk begunstigend beleid gehandeld, welk beleid ertoe strekt dat bijzondere bijstand kan worden verleend tot een jaar voorafgaand aan de aanvraag. Voor zover appellante zich erop beroept dat het college heeft verzuimd haar erop te wijzen dat zij tijdig bijzondere bijstand moest aanvragen, slaagt dit niet nu geen rechtsregel het college daartoe verplichtte.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante ontving over de periode van 3 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang in verband met het Trajectplan Uitstroom Regulier Werk, een re-integratievoorziening waaraan appellante deelnam. Deze tegemoetkoming is nadien niet verlengd, zodat appellante pogingen heeft gedaan om de voor de buitenschoolse opvang gemaakte kosten via de bijzondere bijstand vergoed te krijgen. Echter, BSO [BSO] is failliet gegaan, waardoor appellante pas veel later een afschrift van de nota van 12 juni 2012 heeft kunnen verkrijgen. Er is daarom sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan appellante bijzondere bijstand dient te worden verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in wezen een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat appellante met de door haar aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij buiten staat was om eerder bijzondere bijstand aan te vragen.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A. Mansourova

RH