Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
15/4608 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat de inschatting (van het ziekteverzuimrisico) door Koerselman hypothetisch is, gebaseerd op aannames en niet op een concrete feitelijke basis. De beschikbare gegevens zoals die blijken uit de gedingstukken, bieden onvoldoende aanknopingspunten om de inschatting van de psychiater rond de omvang van het ziekteverzuimrisico te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4608 WAO

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 juni 2015, 13/4294 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.B. de Gooijer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 1985 werkzaam geweest in de functie van kas/baliemedewerkster voor 14,5 uur per week bij [werkgever] . In verband met psychische klachten is zij op

25 juni 1997 uitgevallen uit deze functie. Het Uwv heeft appellante ingaande 15 juli 1998 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is opnieuw beoordeeld door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige in 2006. De verzekeringsarts heeft geconstateerd dat de depressie en de angststoornis van appellante in remissie waren en heeft in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 november 2006 voor appellante nog enkele beperkingen opgenomen die samenhangen met haar psychische klachten, maar anders dan daarvoor geen duurbeperking meer. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd, waarmee zij nog een zodanig inkomen kan verdienen, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%. Bij besluit van 22 december 2006 heeft het Uwv vervolgens de WAO-uitkering van appellante ingetrokken met ingang van 21 februari 2007. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Van 1 februari 2009 tot 1 februari 2010 heeft appellante op basis van een jaarcontract als medewerker service intake, baliewerkzaamheden verricht voor 24 uur per week bij een politiebureau. Aansluitend ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft zij zich op 16 mei 2011 ziek gemeld met psychische klachten. In verband daarmee ontving zij een uitkering op grond van de Ziektewet.

1.4.

Appellante heeft op 29 januari 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv beoordeeld of appellante als gevolg van toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak per 13 juni 2011 recht heeft op toekenning van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a WAO (Wet Amber). Appellante is in verband daarmee onderzocht door een verzekeringsarts op het spreekuur van 22 februari 2013. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante vooral belemmeringen ervaart in haar functioneren door angstklachten en heeft in een FML van 27 februari 2013 in verband daarmee een aantal beperkingen opgenomen voor appellante. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML een aantal functies geselecteerd die appellante met haar beperkingen nog kan verrichten en waarmee appellante nog een zodanig inkomen kan verwerven dat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%. Bij besluit van 11 april 2013 heeft het Uwv vervolgens geweigerd om aan appellante een WAO-uitkering toe te kennen.

1.5.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en ter ondersteuning een brief van haar behandelend psychiater van 8 maart 2013 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt op basis van deze informatie en van zijn eigen onderzoek van appellante tot de conclusie, dat zij lijdt aan een obsessief compulsieve stoornis (OCS) en een angststoornis, zich uitend in hyperventilatie- en paniekaanvallen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien voor appellante meer beperkingen op te nemen in een nadere FML van 11 september 2013, waaronder de beperking dat appellante maximaal ongeveer 6 uur per dag en 30 uur per week kan werken. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis daarvan nieuwe functies geselecteerd voor appellante, wat leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 20,79%. Bij besluit van 3 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en vastgesteld dat zij vanaf

13 juni 2011 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld en daarbij een expertiserapport van 12 januari 2015 overgelegd van een op haar verzoek door psychiater prof. dr. G.F. Koerselman op

24 november 2014 verricht onderzoek. Koerselman is het eens met de door de verzekeringsartsen gestelde diagnoses en kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellante opgenomen beperkingen in de FML van 11 september 2013 per de in dit geding relevante datum van 13 juni 2011. Hij concludeert dat bij appellante sprake is van een ontregeling van angst, die zich manifesteert als overmatige bezorgdheid (gegeneraliseerde angststoornis), aanvallen van paniek (paniekstoornis) en dwangmatig controlegedrag (incompleet OCS). Koerselman mist blijkens zijn rapport in de FML echter het aspect van de onvoorspelbaarheid van het optreden van de klachten van appellante. Hij schrijft in zijn rapport: “Lichter werk impliceert op zichzelf wel een ontlasting, maar daarmee wordt toch de kans op onvoorziene irrationele interpretaties van omstandigheden niet weggenomen. Met andere woorden, ik ben het met betrokkene eens wanneer zij zelf stelt dat een werkgever niet structureel op haar zal kunnen rekenen, ook niet wanneer het werk weinig belastend is en qua uren beperkt.” Reagerend op een vraag van de gemachtigde van appellante schrijft Koerselman in een Addendum bij zijn rapport: “Het lijkt mij daarom plausibel, dat er in een geval als dat van betrokkene inderdaad al snel sprake zal zijn van een ziekteverzuim, dat boven de kwantitatieve drempel van 30% van de werktijd komt. Ik moet het aan u overlaten of u dat ‘hard’ genoeg vindt om een rechterlijke toetsing van die aanname aan te gaan.” Gelet op dit ziekteverzuimrisico is appellante van mening dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevraagd dat deze haar tewerkstelt, zodat zij als volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv is blijkens zijn rapport van

19 maart 2015 van mening, in reactie op het expertiserapport, dat als met de aangenomen beperkingen rekening wordt gehouden bij het selecteren van werkzaamheden, wat in dit geval is gebeurd, geen groot ziekteverzuim van appellante is te verwachten.

2.3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank volgt appellante niet in haar stelling dat haar verwachte verzuimrisico zo hoog is dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat die haar tewerkstelt. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante geen objectief medisch onderbouwde gegevens heeft overgelegd over de frequentie en duur van haar klachten en acht wat Koerselman hierover heeft geschreven hypothetisch en niet gegrond op een feitelijke basis. Ook uit de gegevens van de laatste werkkring van appellante bij de politie blijkt volgens de rechtbank niet dat appellante als gevolg van haar klachten een structureel excessief ziekteverzuim heeft gehad.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de conclusies van Koerselman niet heeft gevolgd, waar het betreft zijn visie op het verwachte verzuimrisico van appellante, ook als zij aan haar beperkingen aangepast lichter werk verricht. Appellante heeft aangevoerd dat haar ziekteverzuim in het werk bij de politie 43% bedroeg en dat het Uwv ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar haar ziekteverzuim. Appellante heeft erop gewezen dat de duur en de frequentie van haar klachten en verzuim moeilijk te voorspellen zijn, waardoor eventuele vervanging van haar door een andere medewerker voor een werkgever moeilijk is. Appellante heeft erop gewezen dat ook nog rekening moet worden gehouden met uitval wegens andere redenen dan haar angststoornis, paniekstoornis en haar obsessief compulsieve stoornis. Haar ziekteverzuim risico bedraagt meer dan 30%, de grens die volgens appellante in de rechtspraak is geformuleerd als zijnde relevant voor de vraag of tewerkstelling van een werkgever in redelijkheid gevergd kan worden.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van 23 juli 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien een ander standpunt in te nemen en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv is van mening dat het ziekteverzuim in de laatste functie van appellante bij de politie geen goede weerslag vormt van de belastbaarheid van appellante omdat die werkzaamheden op bijvoorbeeld de aspecten klantcontacten en conflicthantering de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over de aard van de psychische klachten van appellante, over de diagnoses en over de beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellante op 13 juni 2011, zoals deze zijn opgenomen in de FML van 11 september 2013. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of van een werkgever in verband met het te verwachten ziekteverzuim van appellante in redelijkheid kan worden gevergd haar tewerk te stellen, als bedoeld in artikel 9, aanhef en sub e van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals geldend in de voor dit geding relevante periode.

4.2.

Het ziekteverzuimrisico van appellante is door psychiater Koerselman op vragen van de gemachtigde van appellante ingeschat als een verzuim dat al snel boven 30% van de werktijd komt. Zoals blijkt uit zijn rapport heeft deze psychiater dat gerelateerd aan de aard van de psychische aandoeningen van appellante en de daaruit voortvloeiende onvoorspelbaarheid van de paniekaanvallen en van het optreden van de klachten. De psychiater heeft zijn inschatting niet kunnen onderbouwen met feitelijke gegevens van het ziekteverzuim van appellante in het verleden, anders dan dat hij te kennen heeft gegeven, dat als hij het goed heeft begrepen de laatste baan van appellante bij de politie eindigde met een aaneengesloten ziekteverzuim van drie maanden.

4.3.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat de inschatting door Koerselman hypothetisch is, gebaseerd op aannames en niet op een concrete feitelijke basis. De beschikbare gegevens zoals die blijken uit de gedingstukken, bieden onvoldoende aanknopingspunten om de inschatting van de psychiater rond de omvang van het ziekteverzuimrisico te volgen. In de diverse rapporten van de verzekeringsartsen in de periode vanaf 15 juni 1998, in het kader van de beoordeling van haar aanspraken op een WAO-uitkering, tot en met het rapport van

2 oktober 2013 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat is opgesteld in verband met de zienswijze van appellante in het kader van het voornemen van het Uwv om appellante voor

15 tot 25% arbeidsongeschikt te achten, wordt niet geschreven over het risico op frequent of langdurig verzuim.

4.4.

Na haar ziekmelding op 16 mei 2011 heeft een verzekeringsarts appellante gesproken op het spreekuur van 16 juni 2011. Uit het betreffende rapport blijkt dat appellante heeft verteld dat haar eigen werk bij de politie op zich goed ging, wat voor de verzekeringsarts aanleiding was om vast te stellen dat appellante een jaar gewoon heeft gewerkt in vrij belastend werk. Tijdens een spreekuur in oktober 2011 heeft ze blijkens het rapport van de verzekeringsarts gemeld dat ze door het baliewerk bij de politie met vervelende gebeurtenissen is geconfronteerd, twee maanden ziek thuis is geweest en daarnaast ook vaak ziek thuis is geweest, wat reden was voor het niet verlengen van het contract. Zelf vindt ze het werk te emotioneel confronterend en het was bovendien in ploegendienst en onregelmatig. Uit een rapport van een verzekeringsarts van 27 februari 2013 blijkt dat deze overweegt dat bij appellante sprake is van een stationair beeld over vele jaren met korte periodes met ups en downs, zonder dat daaraan door de verzekeringsarts conclusies worden verbonden voor de arbeidsmogelijkheden van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante op de hoorzitting gesproken en mede op basis van de informatie van de behandelend psychiater van appellante een inschatting gemaakt van de beperkingen van appellante en die vastgelegd in de FML van 11 september 2013. De informatie van de behandelend psychiater bevat alleen een DSM IV classificatie, geen informatie over bijvoorbeeld verzuimrisico’s. Uit het verslag van de hoorzitting, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was, blijkt dat is gesproken over de vele ziekmeldingen en over de onvoorspelbaarheid van de angstaanvallen. Blijkens zijn rapport van 11 september 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de aanwezige gegevens, zijn eigen onderzoek en de informatie van de behandelend psychiater meer beperkingen aangenomen in de rubrieken I en II van de FML alsmede een urenbeperking, maar geen reden gezien om een eventueel verzuimrisico te noemen als relevante factor ten aanzien van de belastbaarheid van appellante.

4.5.

Appellante heeft in de beroepsfase informatie overgelegd uit de administratie van haar ziekteverzuim bij de politie. Daaruit blijkt dat zij in totaal 68 dagen heeft verzuimd, verspreid over vijf periodes, waarbij bij drie periodes, waaronder een periode van 39 dagen, is genoteerd “ziek algemeen” en bij twee periodes “griepverschijnselen”. Uit de brief van haar werkgever van 31 januari 2010 ter bevestiging van haar ontslag bij het einde van haar tijdelijke aanstelling, is opgenomen dat appellante zich veelvuldig heeft ziekgemeld. Daaraan is ook toegevoegd dat appellante heeft te kennen gegeven een wezenlijk deel van haar taken niet als passend te ervaren en de onregelmatige diensten te zwaar te vinden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er ook op gewezen dat de werkzaamheden bij de politie voor appellante te zwaar waren en niet conform haar in de FML vastgestelde belastbaarheid.

4.6.

Pas nadat psychiater Koerselman in zijn rapport aandacht heeft gevraagd voor het onvoorspelbare karakter van de angstaanvallen, waardoor een werkgever niet structureel op appellante zal kunnen rekenen, is de vraag gerezen of het ziekteverzuimrisico van appellante zodanig hoog zal zijn dat van een werkgever niet kan worden gevergd dat hij appellante te werk stelt. Koerselman heeft zijn inschatting niet kunnen onderbouwen met feitelijke gegevens, ook omdat die niet of onvoldoende voorhanden zijn. Uit de gedingstukken blijkt onvoldoende dat bij appellante gelet op haar ziektebeeld op de datum in geding rekening moet worden gehouden met een dergelijk hoog verzuimrisico. Het verzuim voor haar werkzaamheden bij de politie in de periode van 1 februari 2009 tot 1 februari 2010 vormt daarvoor een onvoldoende onderbouwing, nu die werkzaamheden op meerdere aspecten voor appellante te zwaar waren. Evenals de rechtbank wordt daarom geconcludeerd dat appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies per

13 juni 2011 uit te oefenen en dat het ziekteverzuim risico van appellante niet zodanig hoog is, dat van een werkgever in redelijkheid niet verwacht kan worden appellante tewerk te stellen.

5. Gezien wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Veenstra

UM