Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16/1127 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte maatregel op de grond dat appellant zich onvoldoende heeft ingespannen baan te verkrijgen. Feitelijk gedrag is niet komen vast te staan. College had nader onderzoek moeten doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1127 PW

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

15 januari 2016, 15/2620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leudal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P.B. Moors, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Moors. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Barentsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 11 september 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Op appellant zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW van toepassing.

1.2.

In februari 2014 is appellant aangemeld voor een re-integratietraject bij het Serviceteam Leudal (STL). Bij brief van 18 november 2014 heeft het college appellant meegedeeld dat dit traject is stopgezet vanwege een negatieve werkhouding en omdat appellant betaald werk kan verrichten. Verder heeft appellant de opdracht gekregen om actief aan de slag te gaan met solliciteren.

1.3.

Naar aanleiding van zijn sollicitatie op de functie van monteur/lasser bij [BV] , heeft appellant op 7 januari 2015 een sollicitatiegesprek gevoerd met

[manager] , manager productie bij [BV] .

1.4.

Op 8 januari 2015 heeft appellant een gesprek gevoerd met zijn consulent werk (consulent). Blijkens het gespreksverslag heeft appellant verteld dat hij de vorige dag, op

7 januari 2015, een sollicitatiegesprek heeft gehad, dat hij maandag zou kunnen starten als monteur bij [BV] , maar dat hij dat niet wil doen omdat hij om 7.00 uur moet beginnen en dan geen opvang heeft voor zijn kind. De consulent heeft appellant toen meegedeeld dat, als blijkt dat de baan nu niet doorgaat, zij zal nagaan wat daarvan de reden is en dat dan aan een maatregel wordt gedacht. De consulent heeft verder in het gespreksverslag genoteerd dat appellant voldoende heeft gesolliciteerd.

1.5.

Op 12 januari 2015 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met zijn consulent en gezegd dat hij naar [BV] heeft gebeld om te zeggen dat hij maandag wil beginnen. Maar de baan is nog niet zeker omdat, zo staat in het gespreksverslag, [BV] nu ook met andere kandidaten bezig is omdat appellant niet meteen ‘ja’ heeft gezegd.

1.6.

Bij besluit van 27 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel gedurende de maand januari 2015 met 100% verlaagd. Het college heeft aan deze maatregel ten grondslag gelegd dat appellant zich onvoldoende heeft ingespannen om een betaalde baan bij [BV] te krijgen. De omstandigheid dat het re-integratietraject in november 2014 is stopgezet acht het college van belang voor de mate van verwijtbaarheid van de gedraging en de hoogte van de maatregel.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zich onvoldoende heeft ingespannen om een betaalde baan bij [BV] te krijgen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op het door hem in de bezwaarfase ingebrachte e-mailbericht van [manager] van 18 maart 2015.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW, voor zover van belang, is appellant verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

4.1.2.

In artikel 18, tweede lid, van de PW is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de PW voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de PW. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De toepasselijke verordening is de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Leudal (Afstemmingsverordening).

4.1.3.

Ingevolge artikel 8 van de Afstemmingsverordening worden de gedragingen met betrekking tot het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW onderscheiden in een drietal nader genoemde categorieën. Het niet of in onvoldoende mate naar vermogen proberen algemeen aanvaarde arbeid te aanvaarden valt onder de derde categorie. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening is de maatregel behorend bij gedragingen uit deze categorie vastgesteld op 100% gedurende één maand.

4.2.

Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Meer concreet betekent dit dat het college zijn standpunt, dat appellant zich in onvoldoende mate heeft ingespannen om algemeen geaccepteerde arbeid bij Swaans te verkrijgen, aannemelijk moet maken.

4.3.

Het college heeft zijn standpunt gebaseerd op het in 1.4 genoemde gespreksverslag, bezien in samenhang met het in 1.5 genoemde telefoongesprek van appellant met zijn consulent. Hieraan kan echter niet de betekenis worden gehecht die het college daaraan toegekend heeft of wil zien. Zoals ter zitting nader toegelicht, heeft het college aan het opleggen van de maatregel ten grondslag gelegd de houding en de uitlatingen van appellant tijdens het sollicitatiegesprek op 7 januari 2015. Volgens het college heeft dit ertoe geleid dat appellant niet meer in aanmerking kwam voor de baan bij [BV] . Uit de verslagen van de gesprekken van appellant met zijn consulent kan echter niet worden herleid of afgeleid hoe het sollicitatiegesprek met [manager] precies is verlopen, zoals het college ter zitting ook heeft erkend. Van de zijde van het college is ook geen navraag meer gedaan bij [manager] over het verloop van het sollicitatiegesprek. Verder is van belang dat [manager] in het

e-mailbericht van 18 maart 2015 te kennen heeft gegeven dat hij ongeveer 100 sollicitatiebrieven heeft ontvangen, dat er tien mensen op sollicitatiegesprek zijn geweest en dat appellant is afgewezen omdat er andere kandidaten waren die geschikter waren dan appellant. Onder deze omstandigheden had het op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te verrichten ter vaststelling van de feiten.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant door zijn uitlatingen en houding tijdens het sollicitatiegesprek op

7 januari 2015 er blijk van heeft gegeven zich te weinig te hebben ingespannen om een betaalde baan bij [BV] te bemachtigen. Het college heeft de verweten gedraging niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert.

4.5.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. In aanmerking genomen dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, was er geen ruimte voor het opleggen van een maatregel. Het besluit van 27 januari 2015 zal daarom worden herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellant tot een bedrag van € 495,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De kostenveroordeling bedraagt in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 juli 2015;

- herroept het besluit van 27 januari 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde besluit van 16 juli 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD