Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
15/6900 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtspraak vergelijkbare zaken inzake status pensioenoverzicht. Invoering artikel 7a AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangsleeftijd, is niet strijdig met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het verbod van discriminatie. Inmenging in eigendomsrecht is in het algemeen proportioneel geacht. Onevenredig zware last. In deugdelijk individueel feitenonderzoek beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6900 AOW en 15/8341 AOW

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2015, 14/6532 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft W.F.K. ter Hennepe hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft Ter Hennepe een schriftelijke zienswijze ingediend met betrekking tot het incidenteel hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 27 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door Ter Hennepe. De Svb heeft zich – zoals tevoren aangekondigd – niet laten vertegenwoordigen. In de gevoegde zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Desgevraagd heeft de Svb bij brief van 9 april 2014 aan appellant, geboren op

[datum] 1953, een pensioenoverzicht toegezonden. Hierop is vermeld dat zijn pensioenopbouw ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is beoordeeld tot en met

8 april 2014. Appellant is verzekerd geacht voor de AOW vanaf het begin van zijn pensioenopbouw op [datum] 1969 tot en met 8 april 2014, waardoor hij 90% van het AOW-pensioen heeft opgebouwd. Voorts is vermeld dat appellant zijn AOW-leeftijd bereikt op [datum] 2019.

1.2.

Bij de vaststelling van het pensioenoverzicht heeft de Svb toepassing gegeven aan

artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel toen luidde. Artikel 7a van de AOW is ingevolge de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328) met ingang van 1 januari 2013 ingevoegd in de AOW, als gevolg waarvan de aanvangsleeftijd van de pensioenopbouw en de pensioengerechtigde leeftijd stapsgewijs zijn verhoogd.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het pensioenoverzicht van 9 april 2014, zowel wat betreft de verschuiving van de aanvangsleeftijd als de verhoging van de AOW-leeftijd. Hij maakt sinds 1 augustus 2012 gebruik van de OVUT-regeling van ProRail B.V. en heeft er rekening mee gehouden dat hij de periode vanaf die datum tot de leeftijd van 65 jaar financieel zou moeten overbruggen. Nu heeft hij echter een AOW-gat van twaalf maanden, wat voor hem niet voorzienbaar was en waardoor hij grote financiële schade lijdt. De wetswijziging brengt in zijn geval een schending mee van artikel 1 van het Eerste Protocol (Eerste Protocol) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is volgens appellant een verboden onderscheid naar leeftijd gemaakt.

1.4.

Bij de beslissing op bezwaar van 18 september 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant – voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de AOW-opbouw – ongegrond verklaard. Voor zover het bezwaar gericht is tegen de ingangsdatum van het AOW-pensioen is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat met de vermelding van de AOW-leeftijd geen rechtsgevolg is beoogd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep is namens appellant ten eerste betoogd dat het pensioenoverzicht in zijn geheel, dus inclusief de daarin vermelde AOW-leeftijd, op rechtsgevolg is gericht en dus als besluit moet worden aangemerkt. Voorts is door appellant herhaald dat door de wetswijziging een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol is gemaakt, omdat hij door de financiële gevolgen van de wetswijziging een onevenredig zware last moet dragen.

3.2.

De Svb heeft in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van aantasting van een eigendomsrecht nu het besluit niet strekte tot gehele of gedeeltelijke ontneming van enig eigendom van appellant. Met het verschuiven van de aanvangsdatum voor de berekening van het AOW-pensioen wordt geen inbreuk gemaakt op de verzekerde jaren voor de AOW, omdat zijn verzekering niet is vervallen. Voorts kan niet worden gezegd dat de verzekering voor de AOW als zodanig een vermogensrecht vertegenwoordigt. De rechtbank heeft daarom ten onrechte getoetst aan de rechtvaardigingsgronden voor de aantasting van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016 die in vergelijkbare zaken zijn gedaan, zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2016:2503. In die uitspraak is – kort gezegd – geoordeeld dat een pensioenoverzicht slechts een besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen voor zover het gaat om de rechtsvaststelling van de op dat moment verzekerde tijdvakken en de genoemde aanvangsleeftijd als begin van de opbouwperiode. De vermelding in het pensioenoverzicht van de toekomstige AOW-leeftijd is een mededeling van informatieve aard die niet gericht is op rechtsgevolg en daarom voor dat deel geen besluit waartegen in rechte kan worden opgekomen.

4.1.1.

De vraag of de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangsleeftijd strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het verbod van discriminatie is vervolgens ontkennend beantwoord. Daartoe is in de eerste plaats overwogen dat de opgebouwde tijdvakken van verzekering voor de AOW moeten worden aangemerkt als een eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol en dat door de inwerkingtreding van artikel 7a van de AOW, waardoor (eerder) opgebouwde verzekerde tijdvakken niet langer in aanmerking worden genomen voor de opbouw van het AOW-pensioen, een inmenging heeft plaatsgevonden in dat eigendomsrecht.

4.1.2.

De Raad heeft deze inmenging in het eigendomsrecht in het algemeen proportioneel geacht en geoordeeld dat die in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol, waarbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van eveneens 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2502). Overwogen is voorts dat de toepassing van artikel 7a van de AOW in concrete gevallen tot een onevenredig zware last en daardoor tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol zou kunnen leiden. Of sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld. Dit kan echter pas worden bezien in het kader van de besluitvorming die betrekking heeft op de toekenning van het AOW-pensioen en de ingangsdatum van dat pensioen. Pas op dat moment kan de hoogte van de eventuele schade worden vastgesteld.

4.2.

Ook in de situatie van appellant kan enig individueel feitenonderzoek ten tijde van het bestreden besluit en ook nu, nog niet leiden tot het oordeel dat hij in de periode tussen het bereiken van de 65-jarige leeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, een onevenredig zware last zal hebben te dragen als gevolg van de verhoging van de aanvangsleeftijd van de AOW. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat appellant nog enige jaren heeft om zich op de (gewijzigde) ingangsdatum van zijn AOW-pensioen in te stellen.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Uit het voorgaande volgt ook dat het door de Svb ingestelde incidenteel hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Nu het incidenteel hoger beroep van de Svb niet slaagt, is er aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, bestaande uit de kosten met betrekking tot het incidenteel hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

sg