Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
14/5454 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. De door de Raad geraadpleegde deskundige wordt gevolgd. Deze deskundige heeft overtuigend toegelicht waarom op de datum in geding geen sprake was van meer beperkingen dan neergelegd in de FML en waarom dit ook zo is voor de periode tot de datum waarop hij gerapporteerd heeft. Toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5454 Wajong

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 augustus 2014, 13/4123 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere gegevens in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.F. van Willigen, advocaat. Het Uwv heeft zich – zoals tevoren bericht – niet laten vertegenwoordigen.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend.

De Raad heeft drs. W.C.G. Blanken, revalidatieartsarts, als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. Deze heeft op 4 mei 2016 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben gereageerd op dit rapport.

De reactie van appellante van 22 juni 2016 heeft de Raad aanleiding gegeven de deskundige opnieuw te bevragen.

Bij brief van 21 september 2016 heeft Blanken gereageerd.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1992, heeft op 31 augustus 2012 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.2.

Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op
5 februari 2014 de beperkingen van appellante in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) verwoord, hierbij zijn beperkingen opgenomen op de aspecten persoonlijk en sociaal functioneren en tevens op de aspecten trillingsbelasting, werken met toetsenbord en muis, frequent reiken tijdens het werk, frequent buigen tijdens het werk, torderen, duwen of trekken, tillen of dragen, frequent lichte voorwerpen zowel als zware lasten hanteren tijdens het werk, lopen tijdens het werk, trappenlopen, klimmen, staan tijdens het werk, geknield of gehurkt actief zijn, afwisseling van houding, werken tijdens de nachtelijke uren en geen onregelmatige diensten.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken zijn bij de medische beoordeling. Voorts is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. Appellante moet op de datum in geding in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 5 februari 2014. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv, gelet op de rapporten van de arbeidsdeskundigen voldoende gemotiveerd dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het in de geduide functies gaat om voorspelbare werkzaamheden waarin geen groot beroep wordt gedaan op het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante, dat geen sprake is van een zware belasting van het bewegingsapparaat en de houding voldoende afgewisseld kan worden. Nu de geselecteerde functies in beroep alsnog van een volledige motivering zijn voorzien, heeft de rechtbank reden gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.1.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat te weinig rekening is gehouden met haar beperkingen, zij heeft naar voren gebracht dat zij meer beperkingen heeft op de aspecten staan, vingergebruik, nek/hoofdgebruik, reiken, buigen, tillen, dragen en duwen. Ook is er ten onrechte geen urenbeperking in aanmerking genomen. De geselecteerde functies zijn niet passend, bij de functie wikkelaar (267050) is onvoldoende afwisseling tussen staan en lopen; bij de functies machinebediende (271093) en samensteller (271130) is ten onrechte sprake van werken in een langdurig gedwongen houding. Ter zitting op 27 januari 2017 heeft appellante nog toegelicht dat ook door Blanken onvoldoende rekening is gehouden met haar nek- en schouderklachten, haar hoofdpijnklachten en haar vermoeidheidsklachten. Om haar standpunt te onderbouwen heeft zij foto’s overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 december 2014 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 november 2015, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding gaat het om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per
19 december 2010.

4.2.

Om meer inzicht te verkrijgen in de beperkingen van appellante heeft de Raad Blanken als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. In zijn rapport heeft Blanken de in het dossier aanwezige gegevens, de relevante voorgeschiedenis, het relevante klachtenpatroon, de medische voorgeschiedenis, de sociale anamnese en het lichamelijk onderzoek dat hij heeft verricht besproken. Vervolgens heeft hij zijn conclusies verwoord en de vragen van de Raad beantwoord. Blanken komt in het rapport tot de conclusie dat de FML de belastbaarheid op de datum in geding juist weergeeft. Desgevraagd heeft Blanken de bezwaren van appellante tegen zijn rapport in zijn brief van 21 september 2016 besproken.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Het deskundigenrapport van Blanken geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante zijn bij de beoordeling betrokken en het rapport is inzichtelijk en consistent. In zijn brief van
21 september 2016 is hij ingegaan op de door appellante genoemde discrepanties en heeft hij gereageerd op de door appellante overgelegde foto’s. Hij is voorts ingegaan op de diverse typen van het Ehlers-Danlos syndroom. Blanken heeft overtuigend toegelicht waarom op de datum in geding geen sprake was van meer beperkingen dan neergelegd in de FML en waarom dit ook zo is voor de periode tot de datum waarop hij gerapporteerd heeft. De in het rapport omschreven conclusie over de beperkingen van appellante wordt dan ook door de Raad gevolgd. De Raad voegt hieraan toe dat het gaat om medisch objectiveerbare beperkingen. Deze komen kennelijk niet overeen met hoe appellante haar lichaam voelt.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 5 februari 2014 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de voor appellante geselecteerde functies passend zijn. De arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben, laatstelijk in hoger beroep met het rapport van 16 december 2014, toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) N. Veenstra

IJ