Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16/2991 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag over de periode van 1972 tot en met 1981. De aanvraag ziet op een periode die veel langer terug gaat dan vijf jaar, zodat aan appellant geen kinderbijslag meer kan worden toegekend. De Svb heeft hiermee op juiste wijze uitvoering gegeven aan de relevante wet- en regelgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2991 AKW

Datum uitspraak: 10 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 maart 2016, 15/6621 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], Slovenië (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft het hoger beroepschrift op 3 mei 2016 doorgezonden aan de Raad.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft op 12 december 2014 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor zijn zoon [naam zoon], geboren [in] 1966. Hij heeft daarbij aangegeven kinderbijslag te willen over de periode van april 1972 tot en met maart 1981 toen hij in Nederland werkte. De Svb heeft, met een besluit van 5 februari 2015, geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen. Op grond van de AKW kan een verzoek om kinderbijslag dat is ingediend meer dan één jaar na afloop van het kwartaal waarop het verzoek betrekking heeft, niet meer in behandeling worden genomen. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij beslissing van 1 juli 2015 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar een uitspraak van een rechtbank uit 1983 waardoor verschillende ex-collega’s van appellant een nabetaling van kinderbijslag hebben ontvangen. Omdat appellant in dezelfde situatie verkeerde als deze collega’s wenst hij ook de nabetaling van kinderbijslag te ontvangen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan de Svb van deze regel afwijken en hanteert de Svb een termijn van maximaal vijf jaar. In dit geval heeft de Svb geconcludeerd dat de aanvraag ziet op een periode die veel langer terug gaat dan vijf jaar, zodat aan appellant geen kinderbijslag meer kan worden toegekend. De Svb heeft hiermee op juiste wijze uitvoering gegeven aan de relevante wet- en regelgeving.

4.2.

Voor zover appellant beoogt te stellen dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op kinderbijslag, nu hij in vergelijkbare omstandigheden verkeerde als zijn ex-collega’s die wel kinderbijslag ontvingen, kan hij daarin niet gevolgd worden. Appellant heeft geen aanvraag kinderbijslag ingediend in de periode dat hij in Nederland werkzaam was en evenmin heeft hij contact met de Svb opgenomen toen de uitspraak van de rechtbank in 1983 was uitgesproken. Indien appellant doelt op de uitspraak van de Raad van 9 oktober 1984 en het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AK7310, waarin het beroep tegen de uitspraak van de Raad over het Verdrag inzage sociale zekerheid met de Republiek Joegoslavië is verworpen, kan niet gezegd worden dat appellant de voldoende vergelijkbare omstandigheden verkeerde als betrokkenen in die gedingen. Die gedingen hadden in ieder geval geen betrekking op directe collega’s van appellant, nu die betrokkenen werkzaam waren bij een ander bedrijf dan waarbij appellant werkzaam is geweest. Voorts blijkt uit die rechtspraak niet dat een groep personen een nabetaling van kinderbijslag heeft ontvangen en meer in het bijzonder niet dat dit is geschied terwijl deze personen zich niet tijdig bij de Svb hebben gemeld.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2017.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) A.M.C. de Vries

IvR