Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
16/4100 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bevordering naar hogere functie. Terecht is aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat artikel 3, zevende lid, van het Bbp niet op appellante van toepassing is. De bepaling is gericht op aspiranten en dat was appellante niet toen zij de opleiding doorliep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4100 AW

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [naam eenheid] van 20 mei 2016, 15/4550 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 2000 aangesteld als [functie 1] bij de voormalige politieregio Midden- en West-Brabant. In 2006 is zij bevorderd tot [functie 2] . In 2011 is zij begonnen met de opleiding Politiekundige Bachelor (niveau 5). Deze opleiding heeft zij in oktober 2014 met goed gevolg afgerond. Sinds 13 oktober 2014 vervult zij de functie van [functie 3] in de eenheid [naam eenheid], salarisschaal 7.

1.2.

Bij e-mailbericht van 17 december 2014 heeft appellante verzocht om bevordering naar schaal 8 in de functie van [functie 4] , met een beroep op artikel 3, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp).

1.3.

Bij besluit van 19 februari 2015 is het verzoek van appellante afgewezen. Dat besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat artikel 3, zevende lid, van het Bbp niet op appellante van toepassing is. De bepaling is gericht op aspiranten en dat was appellante niet toen zij de opleiding doorliep. De bepaling is niet geschreven voor doorstromers als appellante. Voorts kan op grond van de afspraken tussen de minister van Veiligheid en Justitie, het Korpsbeheerdersberaad en de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal ten behoeve van de transitie naar een nationale politie (transitieakkoord) niet tot bevordering worden overgegaan, tenzij er een toezegging is vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelingsplan, dan wel in het kader van het loopbaanbeleid zoals neergelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche,

Stcrt. 2010, 19782 (HAP II). Met betrekking tot appellante zijn geen afspraken gemaakt over een mogelijke bevordering na afronding van de opleiding. Appellante is ook niet benoemd via een selectietraject voor een vacature.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbp wordt onder [functie 1] verstaan: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als [functie 1] en die is toegelaten tot een initiële opleiding.

4.2.

Ingevolge artikel 3, zevende lid, aanhef en onder d, van het Bbp wordt de [functie 1] die een opleiding heeft afgerond op niveau 5, aangesteld in een functie waaraan tenminste salarisschaal 8 is verbonden, waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan of hoger is dan het bij het desbetreffende opleidingsniveau behorende garantiebedrag zoals genoemd in bijlage III van dit besluit.

4.3.

In het transitieakkoord is vastgelegd dat het tijdens de looptijd van de afspraken over de transitie niet is toegestaan medewerkers te bevorderen naar een hogere schaal, tenzij dit met betrokken medewerkers in het kader van de loopbaan is vastgelegd in hun persoonlijk ontwikkelingsplan dan wel plaatsvindt in het kader van het HAP II loopbaanbeleid.

4.4.1.

Anders dan appellante, en met de rechtbank en de korpschef, is de Raad van oordeel dat appellante geen [functie 1] is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbp. De daarin genoemde voorwaarden zijn cumulatief. Niet in geschil is dat appellante ten tijde van de opleiding Politiekundige Bachelor reeds geruime tijd [functie 2] was en dat zij in die hoedanigheid als ‘doorstromer’ tot de opleiding is toegelaten. Zij kan dan ook niet worden aangemerkt als [functie 1] in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbp. De enkele omstandigheid dat appellante als [functie 2] is toegelaten tot een initiële opleiding, maakt dit niet anders.

4.4.2.

Appellante heeft verder gewezen op de Nota van toelichting bij het Besluit van

15 september 2008 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in verband met de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden (Stb. 2008, 384), waarbij artikel 3, zevende lid, van het Bbp is gewijzigd. Anders dan appellante heeft aangevoerd, volgt daaruit niet dat niet alleen een [functie 1] maar ook een doorstromer zoals appellante na het succesvol afronden van een opleiding in de bij het niveau van de opleiding behorende salarisschaal dient te worden geplaatst. Uit de toelichting blijkt dat de wijziging van artikel 3 van het Bbp dient ter vervanging van regionale afspraken over de beloning van aspiranten en hun inschaling na afronding van de opleiding. Nu appellante, gelet op wat in 4.4.1 is overwogen, niet kan worden aangemerkt als [functie 1] , is artikel 3, zevende lid, van het Bbp niet op haar van toepassing. De verwijzing van appellante naar de Nota van toelichting treft geen doel.

4.5.1.

Appellante stelt dat, ook indien zij niet als [functie 1] kan worden aangemerkt, zij wel als zodanig dient te worden behandeld. Volgens appellante is het onredelijk dat zij als doorstromer materieel anders wordt behandeld dan een [functie 1] die ook een opleiding heeft afgerond op niveau 5 en die wel wordt benoemd op een functie waaraan ten minste salarisschaal 8 is verbonden. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat het motief van de harmonisatie, namelijk dat het ongewenst is dat ieder korps zelf beslist over het functieniveau na de opleiding, ook geldt voor doorstromers. Er is daarom geen rechtvaardiging voor ongelijke behandeling, aldus appellante. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Met de korpschef is de Raad van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat de rechtspositie van aspiranten in diverse opzichten verschilt van die van doorstromers zoals appellante. Zo heeft appellante met behoud van salaris en een vaste aanstelling een opleiding gevolgd, terwijl een [functie 1] gedurende de opleidingsperiode een tijdelijke aanstelling, een aspirantensalaris en mogelijk nog een korting van 25% op het aspirantensalaris heeft. Het verschil in behandeling vloeit dan ook voort uit het verschil in rechtspositie tussen aspiranten en doorstromers als zodanig.

4.5.2.

Ook overigens slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Appellante heeft niet gemotiveerd weersproken dat aan de bevordering van de door haar genoemde collega’s P, V, en vW een toezegging ten grondslag lag. Niet gebleken is dat in het geval van appellante een dergelijke toezegging is gedaan, zodat geen sprake is van gelijke gevallen. Wat betreft de beslissing ten aanzien van collega vK heeft de korpschef gemotiveerd toegelicht dat deze beslissing tot stand is gekomen naar aanleiding van een onjuist advies van de directie HRM. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpschef hiermee aannemelijk gemaakt dat de ten aanzien van vK genomen beslissing op een fout berust. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3770) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen.

4.6.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen is in dit geval niet voldaan. De nota “Arbeidsvoorwaarden en loopbaanperspectief Recherchekundigen, Politiekundige Bachelors en Politiekundige Masters” van 11 augustus 2009 en de daarbij behorende uitvoeringsregeling, waarop appellante zich heeft beroepen, zien uitsluitend op aspiranten en met het door appellante ingeroepen advies “Bevordering politiekundige bachelor recherche schaal 8” van 11 juni 2014 heeft het bevoegd gezag niet ingestemd. Ten slotte kan ook appellantes stelling dat zij er al blijk van heeft gegeven te functioneren op het niveau van salarisschaal 8 haar niet baten. Aan appellante is immers geen toezegging gedaan dat haar functioneren zou leiden tot een bevordering met die salarisschaal.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en H.C.P. Venema en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD