Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16/2604 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep slaagt. Vernietiging uitspraak. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het bestreden besluit vernietigen voor zover geen vergoeding is toegekend voor belastingschade wegens gemiste hypotheekrenteaftrek en voor zover geen schadevergoeding is toegekend voor advocaatkosten met betrekking tot de vaststelling van de schade wegens gemiste hypotheekrenteaftrek. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en met herroeping in zoverre van het besluit van 30 december 2014 een vergoeding voor belastingschade toekennen van € 2.200,- en een extra vergoeding voor advocaatkosten van € 396,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/268 met annotatie van Redactie, R. Stijnen
O&A 2017/45
ABkort 2017/89
TAR 2017/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2604 AW

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2016, 15/5862 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Wijmans en drs. J.A. Ruys.

Het onderzoek is ter zitting geschorst voor nader overleg tussen partijen.

Het college heeft bij brief van 14 december 2016 een nader standpunt ingenomen. Appellante heeft bij brief van 21 december 2016 een nader standpunt ingenomen.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 29 mei 2008 is appellante met ingang van 1 juli 2008 ontslag verleend. Bij uitspraak van 13 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6005, heeft de Raad geoordeeld dat het ontslag onrechtmatig is en het besluit van 29 mei 2008 herroepen.

1.2.

Op 25 januari 2013 is aan appellante bericht dat vanwege het herstel van haar dienstverband de salarisbetaling met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 wordt hervat, onder aftrek van de uitbetaalde schadevergoeding van 3 maanden brutosalaris, de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en de Bovenwettelijke uitkering. De nabetaling heeft plaatsgevonden in april 2013; tegelijk met de salarisbetaling van april 2013 is aan appellante een bedrag van € 87.795,03 bruto toegekend, zoals blijkt uit de salarisspecificatie van de maand april 2013.

1.3.

Vervolgens heeft tussen partijen overleg plaatsgevonden over de ten gevolge van het onrechtmatige ontslag ontstane financiële schade. Bij besluit van 30 december 2014 heeft het college deze schade vastgesteld op € 32.679,-. Bij besluit van 4 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 december 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college ten onrechte maar een deel van de geleden schade heeft vergoed. Concreet heeft appellante gewezen op de volgende posten: belastingschade (bestaande uit het geen gebruik kunnen maken van de middelingsregeling en gemiste hypotheekrenteaftrek), hypotheekschade als gevolg van het stopzetten van het salaris, advocaatkosten en de nabetaling van niet genoten vakantiedagen. Hiernaast heeft appellante verzocht om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Ter zitting heeft appellante meegedeeld zich niet langer op het standpunt te stellen dat het college bij de nabetaling van het salaris ten onrechte de WW-uitkering in mindering heeft gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

4.2.

Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit; voorts komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4398).

Belastingschade

4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 3 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF0902) valt belastingschade ten gevolge van een nabetaling ineens buiten de schade wegens vertraging in de betaling van een geldsom en kan deze schade derhalve in beginsel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De schade beloopt in beginsel het (positieve) verschil tussen (a) de volgens de wettelijke bepalingen verschuldigde respectievelijk in werkelijkheid geheven belasting en (b) de belasting die verschuldigd zou zijn geweest, indien de periodieke betalingen van de bedragen die het bestuursorgaan aan betrokkene verschuldigd was en de belastingheffing over die periodieke betalingen hadden plaatsgevonden in de jaren waarop de nabetaling betrekking heeft. Indien met instemming van de fiscale autoriteiten gebruik is of kan worden gemaakt van de middelingsregeling inzake nabetaalde inkomsten, wordt in plaats van het bedrag bedoeld onder (b) de na toepassing van deze regelingen verschuldigde belasting in aanmerking genomen (c). Voor een veroordeling tot vergoeding van deze belastingschade is een concreet en onderbouwd verzoek, waarbij een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade wordt verstrekt, een voorwaarde.

4.3.2.

Appellante stelt dat uit navraag bij de Belastingdienst blijkt dat zij, anders dan het college stelt, geen gebruik kan maken van de middelingsregeling. Appellante heeft hierbij tevens verwezen naar de website van de Belastingdienst. Het college stelt zich op het standpunt dat middeling in het geval van appellante wel mogelijk is. De Raad overweegt dat middeling leidt tot een geringer bedrag aan belastingschade en dat appellante daarom uit een oogpunt van schadebeperking gehouden was al datgene te doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is om tot middeling te komen. Dit betekent dat appellante bij de Belastingdienst een verzoek om middeling had moeten indienen en in geval van afwijzing daartegen in ieder geval bezwaar had moeten maken. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft geen schriftelijke afwijzing van de Belastingdienst overgelegd. De verwijzing naar een telefoongesprek met de Belastingdienst en naar de website van die dienst is niet voldoende om te onderbouwen dat de Belastingdienst middeling niet zal toestaan. Overigens is appellante bij de verwijzing naar de website van de Belastingdienst uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat haar

WW-uitkering niet in box 1 van de inkomstenbelasting zou vallen.

4.3.3.

In zijn brief van 14 december 2016 heeft het college erkend dat een bedrag van

€ 2.200,- wegens gemiste hypotheekrenteaftrek over de jaren 2008 tot en met 2012 voor vergoeding in aanmerking komt. Appellante stelt zich op het standpunt dat de schade € 9.603,- bedraagt. Appellante heeft dit bedrag gebaseerd op de herberekening van de voorlopige aanslag 2013 van 29 april 2013. Volgens appellante is het aannemelijk dat de herberekening ook geldt voor de jaren 2008 tot en met 2012, omdat de aftrekbare hypotheekrente in die periode niet is gewijzigd. De Raad is van oordeel dat appellante de hoogte van deze post hiermee niet voldoende concreet heeft onderbouwd. Appellante heeft geen overzicht gegeven van het totaal van de verschuldigde belasting en de daadwerkelijk geheven belasting over de betreffende jaren. Voor het berekenen van belastingschade kan niet worden volstaan met het eenvoudigweg doortrekken van de verandering in één jaar naar andere jaren zonder een volledige berekening te geven over die jaren. Daar komt bij dat de in de voorlopige aanslag van 29 april 2013 opgenomen inkomsten uit werk niet zijn gebaseerd op het juiste loon over 2013. Het bedrag aan inkomsten wijkt verder substantieel af van de (fictieve) inkomsten uit werk over de jaren 2008 tot en met 2012. Bovendien bevindt de eerste voorlopige aanslag over 2013 zich niet bij de stukken, zodat niet duidelijk is wat de uitgangspunten zijn voor de herberekening van 29 april 2013.

Hypotheekschade

4.4.

Appellante verlangt vergoeding van schade wegens het niet kunnen oversluiten van haar hypotheek op 28 november 2007 tegen een gunstiger rentestand. De Raad is met het college van oordeel dat deze gestelde schade geen verband houdt met het onrechtmatige ontslagbesluit. De gestelde schade staat in verband met het besluit van 16 november 2007, waarbij de bezoldiging van appellante is opgeschort. Met de eerdere uitspraak van de rechtbank van 30 maart 2012, 09/1991, staat de rechtmatigheid van dit besluit vast, zodat reeds om die reden geen grond bestaat voor vergoeding van deze schade.

Advocaatkosten

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat bovenop het door het college vastgestelde bedrag voor advocaatkosten een bedrag van € 792,- moet worden vergoed. In het bestreden besluit is overwogen dat de advocaatkosten niet volledig worden vergoed, omdat een deel van de kosten betrekking heeft op vorderingen zonder grond, namelijk de gemiste hypotheekrenteaftrek en de hypotheekschade. Ter zitting heeft het college desgevraagd meegedeeld bereid te zijn de advocaatkosten te betalen als de genoemde schadeposten voor toewijzing in aanmerking komen. Uit het voorgaande blijkt dat geen grond bestaat voor vergoeding van de gestelde hypotheekschade, maar wel voor de belastingschade in verband met gemiste hypotheekrenteaftrek. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de helft van de gestelde extra advocaatkosten, zijnde € 396,-, voor vergoeding in aanmerking komt.

Gemiste vakantie-uren

4.6.

De gestelde schade door gemiste vakantie-uren heeft appellante noch in bezwaar noch bij de rechtbank naar voren gebracht. Gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt deze post buiten de omvang van het geding.

Tussenconclusie

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat, naast de al toegekende schadevergoeding, voor vergoeding in aanmerking komt een bedrag van € 2.200,- aan belastingschade wegens gemiste hypotheekrenteaftrek en een bedrag van € 396,- voor advocaatkosten.

Redelijke termijn

4.8.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelt het volgende voorop. Voor de bepaling van de redelijke termijn is van belang dat een procedure pas is geëindigd als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 27 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN5961). Het geschil betreft hier het ontslag. De procedure over het onrechtmatige ontslagbesluit zal pas zijn beëindigd op het moment dat vergoeding heeft plaatsgevonden van alle schade die in verband staat met dat besluit en aan het college kan worden toegerekend. De redelijke termijn is voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (vergelijk de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.9.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

4.10.

Voor het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante tegen het ontslagbesluit van 29 mei 2008 tot aan de dag van deze uitspraak acht jaar en ongeveer negen maanden zijn verstreken. Voor de bepaling van de redelijke termijn dient de periode van twee en een halve maand, die de mediation bij de rechtbank in de ontslagprocedure in beslag heeft genomen, buiten beschouwing te blijven. Geen aanleiding bestaat om (een deel van) de periode van overleg na de uitspraak van de Raad van 13 december 2012 over de omvang van de schadevergoeding voor rekening van appellante te laten, omdat niet is gebleken dat door haar toedoen vertraging is opgetreden. Nu verder de behandelingsduur in beide rechterlijke fases, de genoemde periode van mediaton in aanmerking genomen, niet langer is geweest dan drie en een half jaar, komt de gehele termijn van overschrijding, die tot het moment dat de gehele schade vergoed zal zijn meer dan vier jaar en zes maanden zal bedragen, voor rekening van het college. Rekening houdend met het in de uitspraak van 13 december 2012 al toegekende bedrag aan schadevergoeding van

€ 500,-, zal het college worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 4.500,-.

4.11.

Uit 4.3 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het bestreden besluit vernietigen voor zover geen vergoeding is toegekend voor belastingschade wegens gemiste hypotheekrenteaftrek en voor zover geen schadevergoeding is toegekend voor advocaatkosten met betrekking tot de vaststelling van de schade wegens gemiste hypotheekrenteaftrek. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en met herroeping in zoverre van het besluit van 30 december 2014 een vergoeding voor belastingschade toekennen van € 2.200,- en een extra vergoeding voor advocaatkosten van

€ 396,-.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2015 gegrond en vernietigt dit besluit

voor zover geen vergoeding is toegekend voor belastingschade wegens gemiste

hypotheekrenteaftrek en voor zover geen schadevergoeding is toegekend voor

advocaatkosten met betrekking tot de vaststelling van de schade wegens gemiste

hypotheekrenteaftrek;

- kent, in zoverre met herroeping van het besluit van 30 december 2014, een vergoeding

wegens belastingschade toe van € 2.200,- en een extra vergoeding voor advocaatkosten van

€ 396,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van het besluit van 4 augustus 2015;

- veroordeelt het college tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 4.500,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.S. Spek

HD