Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:96

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
15/3107 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering appellant toestemming te geven om met behoud van zijn uitkering naar Turkije te verhuizen. Er is geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard die het Uwv ertoe had moeten brengen gebruik te maken van de in de Wajong gegeven bevoegdheid om af te wijken van het exportverbod. Er is geen sprake van een inbreuk op appellants recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3107 WAJONG

Datum uitspraak: 13 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2015, 14/1984 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.N. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2016. Voor appellant is

mr. Huisman verschenen, vergezeld door appellants broer, [naam broer]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1991. Hij heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. Sinds 23 januari 2009 ontvangt hij een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2.

Op 29 juli 2013 heeft het Uwv een brief ontvangen van appellants ouders. Hierin is vermeld dat zij graag naar Turkije willen terugkeren en dat appellant zorg nodig heeft. Verzocht is appellant toestemming te geven met behoud van zijn uitkering naar Turkije te verhuizen. Bij deze brief was een schrijven gevoegd van 20 juni 2013 van appellants behandelend arts.

1.3.

Bij besluit van 21 augustus 2013 is geweigerd appellant toestemming te geven om met behoud van zijn uitkering naar Turkije te verhuizen. Daartoe is overwogen dat er voor de ouders geen noodzaak is tot remigratie. Deze weigering is bij beslissing op bezwaar van

14 april 2014 (bestreden besluit) gehandhaafd.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is – kort gezegd – het volgende overwogen.

2.2.

Ingevolge artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. In het negende lid van dit artikel is bepaald dat het Uwv hierop een uitzondering kan maken als de beëindiging van de uitkering tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden. In zijn beleid – voor zover hier van belang – heeft het Uwv neergelegd dat de uitkering wordt voortgezet in geval van het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen. Van beide elementen is volgens de rechtbank geen sprake.

2.3.

Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd gehandeld met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 6 van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije (Besluit 3/80).

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de eerder aangevoerde gronden herhaald. Daarbij heeft hij gesteld dat het belang van appellant voorop dient te staan.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard die het Uwv ertoe had moeten brengen gebruik te maken van zijn in artikel 3:19, negende lid, van de Wajong gegeven bevoegdheid om af te wijken van het in het eerste lid, aanhef en onder c, neergelegde exportverbod. In het bij de aanvraag gevoegde schrijven van appellants behandelend arts van 20 juni 2013 wordt gesproken over de mogelijkheid voor appellant om terug te keren naar Nederland ‘mocht hij niet gelukkig worden in Turkije’, aangezien zijn broer en zuster in Nederland blijven wonen. Verder is van belang dat appellant sinds 31 december 2013 in een instelling voor begeleid wonen is opgenomen en per die datum door zijn zuster voor hem een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW)is aangevraagd. Hieraan kan de conclusie worden verbonden dat appellant niet uitsluitend afhankelijk is van zijn ouders. Overigens zijn deze inmiddels medio 2014 naar Turkije teruggekeerd en woont appellant nog steeds in Nederland. Evenmin kan worden gezegd dat voor appellants ouders de noodzaak bestond naar Turkije terug te keren. Dit was hun eigen keuze. Er is niet gebleken van redenen die aanleiding geven in dit geval van het beleid af te wijken.

4.2.

Evenals de rechtbank gaat de Raad bij de beoordeling onder 4.1 uit van het door het Uwv vastgestelde beleid om inhoud te geven aan de in artikel 3:19, negende lid, van de Wajong genoemde onbillijkheid van overwegende aard die aanleiding geeft af te wijken van het exportverbod van de Wajong-uitkering. Daarin is een belangenafweging neergelegd, waarbij zowel het belang van de betrokkene als andere belangen een rol spelen. Tot die andere belangen behoort ook het belang van de Staat der Nederlanden om de overheidsfinanciën beheersbaar te houden. Niet valt in te zien op grond waarvan uitsluitend of in hoofdzaak gelet zou moeten worden op het belang van appellant.

4.3.

De rechtbank heeft verder terecht vastgesteld dat geen sprake is van een inbreuk op appellants recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De verhuizing van zijn ouders naar Turkije is gebaseerd op een eigen keuze en het staat appellant vrij hen te volgen.

4.4.

Evenmin is sprake van strijd met artikel 6 van Besluit 3/80. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van

14 januari 2015, Demirci e.a., C-171/13, en de uitspraak van de Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:481. In die zaken is beslist dat betrokkenen, die de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen zonder daarbij afstand te doen van de Turkse nationaliteit, zich niet met een beroep op Besluit 3/80 kunnen onttrekken aan het woonplaatsvereiste waarvan de TW het recht op toeslag afhankelijk stelt. Niet valt in te zien dat dit anders zou liggen voor een uitkering ingevolge de Wajong. Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit, zodat hij steeds naar Nederland kan terugkeren.

4.5.

Het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2017.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) J.W.L. van der Loo

GdJ