Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
15/1935 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is niet het feitelijk werk maar de uitgangspositie bepalend voor de overgang naar een LFNP-functie. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de uitgangspositie en ook niet tegen de afwijzing van haar verzoek om functieonderhoud. Voor zover de feitelijke situatie zou afwijken van de beschrijving van de korpsfunctie, geldt dat de functiebeschrijving leidend is bij de matching en dat het voor risico van appellante komt dat zij heeft berust in de vaststelling van haar uitgangspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1935 AW

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 februari 2015, 14/3136, 14/3614, 14/4284, 14/3490, 14/3508, 14/4092, 14/5009 en 14/4157 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh en J.P. van Zijtveld. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Horst, advocaat, en R.M.M. Paulssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

De uitgangspositie van appellante is bepaald op [functie 1] (schaal 9) bij de voormalige politieregio Amsterdam-Amstelland. Het verzoek van appellante om functieonderhoud is afgewezen. Appellante heeft tegen die besluiten geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2013, gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2014 (bestreden besluit), heeft de korpschef besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [functie 2], in het vakgebied [vakgebied 2], met bijbehorende schaal 9.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellante heeft betoogd dat zij ten onrechte niet is gematcht met de functie [functie 3] (schaal 10). Haar korpsfunctiebeschrijving sloot niet aan bij haar feitelijke werkzaamheden. Voor de werkzaamheden die zij opgedragen kreeg was geen functiebeschrijving beschikbaar. Haar verzoek om functieonderhoud is afgewezen omdat ze niet voldeed aan de voorwaarde van gedurende ten minste een jaar verrichten van de afwijkende werkzaamheden in de referteperiode. Voor collega’s die wel voldeden aan die voorwaarde, is wel functieonderhoud gepleegd en die collega’s zijn bevorderd naar schaal 10.

3.2.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is niet het feitelijk werk maar de uitgangspositie bepalend voor de overgang naar een LFNP-functie. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de uitgangspositie en ook niet tegen de afwijzing van haar verzoek om functieonderhoud. Voor zover de feitelijke situatie zou afwijken van de beschrijving van de korpsfunctie, geldt dat de functiebeschrijving leidend is bij de matching en dat het voor risico van appellante komt dat zij heeft berust in de vaststelling van haar uitgangspositie.

3.3.

Voor zover appellante een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat niet. De korpschef heeft gemotiveerd betoogd dat de situatie van de door appellante genoemde collega’s niet gelijk is aan die van appellante. De genoemde collega’s hadden door het ten aanzien van hen toegepaste functieonderhoud een andere uitgangspositie voor de toekomstige LFNP-functie dan appellante. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen.

3.4.

Voor toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, is evenmin plaats. Zoals is overwogen in de onder 1.1 genoemde uitspraken van de Raad van 1 juni 2015, is de hardheidsclausule niet bedoeld om (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden, dan wel vergeefs is gevraagd. De hardheidsclausule is ook niet bedoeld om de uitgangspositie te corrigeren.

3.5.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A.M. Pasmans

HD