Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
15/7955 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met ingang van 16 september 2014 niet beschikbaar om arbeid te aanvaarden, beëindiging van WW-uitkering met ingang van die datum niet in geschil. Het hoger beroep WW is beperkt tot terugvordering van betaalde WW-uitkering periode 15 september 2014 tot en met 16 november 2014. De gestelde ernstige financiële en sociale problemen, alsmede de stelling dat hij suïcidaal was, zijn door appellant ook in hoger beroep niet onderbouwd. Vaste rechtspraak dringende redenen. Op 14 januari 2015 was appellant geen werknemer in de zin van de ZW, niet verzekerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7955 WW

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 oktober 2015, 15/5288 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 16 september 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Op 15 september 2014 heeft appellant verzocht om herleving van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De WW-uitkering is met ingang van
16 september 2014 toegekend.

1.2.

Bij besluit van 12 december 2014 heeft het Uwv de betaling van de WW-uitkering vanaf 17 november 2014 opgeschort, omdat niet vastgesteld kan worden of appellant nog recht heeft op deze uitkering en wat de hoogte van de uitkering moet zijn. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant drie keer is opgeroepen voor een gesprek met zijn adviseur werk en daar niet is verschenen.

1.3.

Op 13 januari 2015 heeft appellant telefonisch gesproken met een medewerker van het Uwv. Blijkens de notitie van dit gesprek heeft appellant verklaard nog ziek te zijn, dat hij in beroep is gegaan tegen de weigering van een WIA-uitkering en dat hij zich niet beschikbaar kan stellen voor werk omdat hij nog niet in staat is werk te accepteren.

1.4.

Op 14 januari 2015 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij brief van 22 januari 2015 heeft het Uwv deze ziekmelding bevestigd, waarbij is vermeld dat tijdens ziekte de WW-uitkering maximaal dertien weken wordt doorbetaald.

1.5.

Bij besluit van 29 januari 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering met ingang van
16 september 2014 beëindigd en de in de periode van 15 september 2014 tot en met
16 november 2014 betaalde uitkering ten bedrage van € 2.571,36 teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet heeft doorgegeven dat hij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, zodat hij geen recht had op WW-uitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.6.

Bij besluit van 20 februari 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Omdat hij geen recht heeft op een
WW-uitkering heeft hij ook geen recht op een ZW-uitkering die hij vanuit de WW heeft aangevraagd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.7.

Op 20 februari 2015 heeft appellant gevraagd om herleving van zijn WW-uitkering. Hij heeft daarbij vermeld dat deze uitkering met ingang van 16 september 2014 is beëindigd omdat hij niet had doorgegeven dat hij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Hij heeft namelijk nog steeds rugproblemen en ook psychische problemen. Omdat de WW-uitkering is gestopt en appellant altijd heeft gewerkt heeft hij nog recht op deze uitkering.

1.8.

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij per
16 september 2014 geen herleving van zijn WW-uitkering kan krijgen. Daarbij is verwezen naar het in 1.5 genoemde besluit van 29 januari 2015 en is gesteld dat niet is gebleken dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn waardoor dat besluit moet worden herzien. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2. Bij beslissing op bezwaar van 10 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 29 januari 2015, 20 februari 2015 en 3 maart 2015 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat uit de telefonische verklaring van appellant op 13 januari 2015 en de verklaring van zijn gemachtigde blijkt dat appellant per
16 september 2014 niet beschikbaar was voor arbeid, zodat hij geen recht had op
WW-uitkering. Omdat de WW-uitkering bij besluit van 29 januari 2015 met terugwerkende kracht is beëindigd, was appellant op 14 januari 2015 niet verzekerd voor de ZW, zodat hij geen recht heeft op een ZW-uitkering. De aanvraag van 20 februari 2015 was niet bedoeld om de WW-uitkering te laten herleven, maar een nieuwe aanvraag om met ingang van
16 september 2014 een WW-uitkering te verkrijgen. Appellant heeft echter geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen om terug te komen van het besluit van 29 januari 2015.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet betwist dat hij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Appellant heeft niet aangetoond dat psychische problemen daarvan de oorzaak waren. Het Uwv heeft de WW-uitkering daarom op goede gronden met terugwerkende kracht beëindigd. Daaruit volgt dat ook de ZW-uitkering terecht is geweigerd. Ook heeft appellant geen nova aangevoerd die aanleiding zouden hebben kunnen geven tot herleving van zijn WW-uitkering. Appellant heeft onvoldoende aangetoond dat zijn financiële problemen het Uwv aanleiding hadden moeten geven af te zien van de terugvordering.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering van de WW-uitkering af te zien. Hij heeft ernstige financiële en sociale problemen en was in januari 2015 suïcidaal. Bovendien heeft het Uwv veel fouten gemaakt en is hij in januari 2015 onjuist voorgelicht. Hij wilde een WW-uitkering aanvragen, maar een medewerker van het Uwv vertelde hem dat hij een ZW-uitkering moest aanvragen. Toen hij zich op 14 januari 2015 ziek meldde zat hij nog in de WW en had daarom een ZW-uitkering kunnen krijgen. Bij een positieve beslissing op deze ziekmelding heeft hij inkomen tot

9 maart 2015, de datum met ingang waarvan hem alsnog een WW-uitkering is toegekend.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Gelet op de stelling van appellant in het aanvullend bezwaarschrift van 12 mei 2015, tijdens de hoorzitting in bezwaar en in het hoger beroepschrift, dat hij met ingang van

16 september 2014 niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, is de beëindiging van de WW-uitkering met ingang van die datum niet in geschil, maar is het hoger beroep, voor zover het de WW-uitkering betreft, beperkt tot de terugvordering van de over de periode van
15 september 2014 tot en met 16 november 2014 betaalde WW-uitkering. Appellant heeft de door hem gestelde ernstige financiële en sociale problemen, alsmede de stelling dat hij suïcidaal was, ook in hoger beroep niet onderbouwd. Het Uwv heeft hierin dan ook terecht geen dringende reden gezien om van terugvordering af te zien. Voor zover appellant zich beroept op door het Uwv gemaakte fouten en onjuiste voorlichting in januari 2015, geldt
– wat daarvan ook zij – dat volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1802, dringende redenen niet gelegen kunnen zijn in de oorzaak van de onverschuldigde betaling, maar slechts in de onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering.

5.2.

Over de weigering om appellant met ingang van 14 januari 2015 in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering wordt als volgt overwogen. Artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW bepaalt dat als werknemer in de zin van de ZW wordt beschouwd degene die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW uitkering ontvangt. Bij het eerdergenoemde besluit van 29 januari 2015 is de WW, uitkering met terugwerkende kracht vanaf 16 september 2014 beëindigd. Als gevolg van dit besluit is dus vanaf die datum geen grond voor betaling van een WW-uitkering komen te ontbreken. Gelet hierop was appellant op 14 januari 2015 geen werknemer in de zin van de ZW en niet verzekerd op grond van die wet, zodat terecht geen uitkering is toegekend (zie de uitspraak van de Raad van
23 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6690).

6. Uit wat in 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en J.S. van der Kolk en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) G.J. van Gendt

TM