Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:95

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
15/2861 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering over periode 17 maart 2012 tot en met 16 februari 2014. Volledige WAO-uitkering en daarnaast gedeeltelijke WW-uitkering ontvangen. Bruto inkomsten waren tezamen hoger dan bedrag aan inkomsten gedeeltelijke WAO-uitkering plus inkomsten uit werk. Redelijkerwijs duidelijk dat hem ten onrechte uitkering werd betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 11 januari 2017

15/2861 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

20 maart 2015, 14/3226 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bos-Ackermans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving vanaf 29 mei 2006 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

55 tot 65%. Daarnaast was hij werkzaam bij [naam werkgever] ([werkgever]). Naar aanleiding van een ziekmelding op 30 mei 2010 door appellant heeft het Uwv de

WAO-uitkering vanaf 31 mei 2010 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%. Na een herbeoordeling heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 maart 2012 verlaagd naar 25 tot 35%.

1.2.

In verband met de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 11 april 2012 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

1.3.

Het Uwv heeft in afwijking van de eerdere besluitvorming bij besluit van 12 juli 2012 de WAO-uitkering met ingang van 17 maart 2012 alsnog ongewijzigd gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de ontzegging van de WW-uitkering gegrond verklaard en hem met ingang van 19 maart 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 40. Het Uwv heeft daarbij geen rekening gehouden met de verhoging van een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar is uitgegaan van de eerder vastgestelde mate van 25 tot 35%. In de beslissing van 13 juli 2012 is vermeld dat met de toegekende WW-uitkering de verlaagde WAO-uitkering wordt aangevuld.

2.1.

Het Uwv is er in het voorjaar van 2014 van op de hoogte gekomen dat appellant naast elkaar een WAO-uitkering, gebaseerd op een volledige arbeidsongeschiktheid, en een

WW-uitkering ontvangt. Dit heeft geleid tot een besluit van 15 mei 2014 waarbij de

WW-uitkering is herzien en over de periode van 17 maart 2012 tot en met 16 februari 2014 een bedrag aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van € 27.897,78 van appellant is teruggevorderd.

2.2.

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft het Uwv in het kader van de terugvordering beslist dat maandelijks op de WAO-uitkering van appellant een bedrag van € 463,08 zal worden ingehouden.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 15 mei 2014 en 30 juni 2014. Bij beslissing op bezwaar van 11 september 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard en de eerder ingenomen standpunten gehandhaafd. Volgens het Uwv had het appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij te veel WW-uitkering ontving. In het besluit van 13 juli 2012 waarbij met ingang van 19 maart 2012 de WW-uitkering is toegekend, staat namelijk vermeld dat is uitgegaan van verlaagde WAO-uitkering terwijl op 12 juli 2012 een beslissing was verzonden waarin werd vermeld dat appellant vanaf 17 maart 2012 een volledige WAO-uitkering blijft ontvangen gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Die beslissingen hebben elkaar snel opgevolgd, maar appellant had uit de beslissingen zelf kunnen opmaken dat er iets niet klopte. Volgens het Uwv had appellant ook uit de betaalspecificaties kunnen opmaken dat het niet klopte. Naar de mening van het Uwv is er geen sprake van een dringende reden die ertoe noodzaakt om af te zien van de terugvordering.

4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij niet een volledige WAO-uitkering en daarnaast een gedeeltelijke WW-uitkering kon ontvangen. Appellant had indertijd een WW-uitkering aangevraagd toen zijn WAO-uitkering was verlaagd naar 25 tot 30%. Als die verlaging niet had plaatsgevonden was er geen reden geweest WW-uitkering aan te vragen. Op het moment waarop hij alsnog de volledige

WAO-uitkering ging ontvangen had appellant moeten begrijpen dat hij geen recht had op een WW-uitkering en had hij moet begrijpen dat de daags daarna genomen beslissing op het bezwaar tegen de ontzegging van WW-uitkering niet correct was, omdat daarbij ten onrechte werd uitgegaan van slechts gedeeltelijke WAO-uitkering. Ook de duur van het verstrekken van de twee uitkeringen maakt niet dat het appellant niet meer duidelijk had kunnen zijn dat de WW-uitkering ten onrechte werd verstrekt. Appellant had ook uit de vanaf juli 2012 aan hem toegezonden betaalspecificaties van de WAO- en de WW-uitkering kunnen begrijpen dat gezien de hoogte van de uitkeringen er iets niet klopte. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat uit de vermelding van de code 07 op de betaalspecificaties van de

WW-uitkering, waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met de WAO-uitkering, niet volgt dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk had kunnen zijn dat hij geen recht had op een WW-uitkering omdat er juist geen rekening was gehouden met de verhoogde WAO-uitkering.

5.1.

Ter zitting is vastgesteld dat de gronden van appellant in hoger beroep zich beperken tot de stelling dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte

WW-uitkering ontving. Hij wijst erop dat zijn salaris in het verleden ook niet altijd gelijk was, dat de WAO- en de WW-uitkering op andere dagen werden betaald en dat hij geen overzicht had van wat hij ontving. Appellant heeft verder gesteld dat de vermelding van de code 07 op de uitkeringsspecificatie betekent dat rekening werd gehouden met de WAO-uitkering zodat het hem niet duidelijk kon zijn dat daarmee geen rekening mee werd gehouden. Ten slotte heeft appellant gesteld dat daarmee de lengte van de uitkering zodanig is dat het hem niet meer duidelijk had behoeven te zijn dat de WW-uitkering ten onrechte werd verstrekt.

5.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de onderdelen 11, 12, 13 en 20 van de aangevallen uitspraak.

6.2.1.

Appellant heeft niet weersproken dat de WAO- en de WW-uitkeringen die hij ontving samen een bedrag aan bruto-inkomsten opleverden dat hoger was dan hetgeen hij aan inkomsten genoot in de periode waarin hij een gedeeltelijke WAO-uitkering had naast zijn werkzaamheden bij [werkgever]. Daaruit volgt dat het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte uitkering werd betaald.

6.2.2.

Bij de toekenning van WW-uitkering op 13 juli 2012 heeft het Uwv vermeld dat die uitkering werd verstrekt als aanvulling op de verlaagde WAO-uitkering. Die vermelding kon niet juist zijn, omdat in het besluit van de dag daarvoor aan appellant een verhoogde

WAO-uitkering was toegekend. De vermelding van de code 07 op de WW-betaalspecificaties heeft in dit verband geen bijzondere betekenis omdat uit de hoogte van de WW-uitkering bleek dat géén rekening werd gehouden met het ontvangen van een volledige WAO-uikering.

6.2.3.

Uit de duur van de periode waarin deze situatie heeft bestaan volgt evenmin dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Voor deze gehele periode geldt immers dat zijn bruto inkomsten hoger waren dan in de periode waarin hij zijn werkzaamheden in loondienst combineerde met het ontvangen van een

WAO-uitkering.

6.2.4.

Dat de betalingen van de WAO- en WW-uitkering op verschillende momenten plaatsvonden, zodat er voor appellant geen overzicht was, speelt in dit verband evenmin een rol nu het immers aan de hand van hetgeen in totaal werd ontvangen duidelijk kon zijn dat dit bedrag te hoog was.

6.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen inleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

UM