Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
15/3015 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtsvragen die met dit betoog worden opgeworpen, heeft de Raad reeds beantwoord in zijn uitspraken van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4804, en De rechtsvragen die met dit betoog worden opgeworpen, heeft de Raad reeds beantwoord in zijn uitspraken van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4804, en 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:752. De overwegingen in deze uitspraken, waarbij de Raad blijft, zijn ook in dit geval van toepassing, zodat het betoog reeds hierom faalt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding. In het verlengde hiervan bestaat evenmin aanleiding om, zoals is verzocht, te bepalen dat het college het betaalde griffierecht vergoedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3015 AW

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 maart 2015, 14/3628 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is vastgesteld op de functie van Docent/Instructeur,

salarisschaal 8.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Docent A, met als vakgebied Docenten, gewaardeerd in salarisschaal 8. Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit in mandaat is genomen door de directeur Human Resources Management (HRM). Het primaire besluit was in ondermandaat genomen door de HRM-liaisons. Gelet hierop heeft de rechtbank, anders dan appellant betoogt, ten onrechte geoordeeld dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Verwezen wordt naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Nu de rechtbank het bestreden besluit ondanks het vermeende gebrek in stand heeft gelaten, is er geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit punt. Aan de beroepsgronden van appellant over de toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en over het ontbreken van een veroordeling in de proceskosten op dit punt komt de Raad niet meer toe.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat de rechtbank de transponeringstabel, behorende bij de Regeling overgang naar een LFNP-functie (Regeling), ten onrechte heeft aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en dat deze niet als grondslag voor het bestreden besluit had mogen dienen. De rechtsvragen die met dit betoog worden opgeworpen, heeft de Raad reeds beantwoord in zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015. De overwegingen in die uitspraken, waarbij de Raad blijft, zijn ook in dit geval van toepassing, zodat het betoog reeds hierom faalt.

4.3.1.

Appellant heeft voorts betoogd dat het resultaat van de matching onhoudbaar is te achten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat wat betreft zijn korpsfunctie niet het domein Ondersteuning het meest vergelijkbaar is, maar het domein Uitvoering. Volgens appellant blijkt uit zijn korpsfunctiebeschrijving dat hij belast is met het geven van theorielessen en praktijkinstructie, gericht op de doelgroep ‘bereden politie’. Appellant begeleidt de cursisten veelvuldig tijdens hun werkzaamheden en begeeft zich als zodanig geregeld in het publieke domein. Zo begeleidt appellant politiemedewerkers tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden (op straat), waardoor hij zelf ook in aanraking komt met het operationele politiewerk. Appellant heeft een executieve functie; hij oefent zijn werkzaamheden in uniform uit en is uitgerust met geweldsmiddelen.

4.3.2.

De functie van Docent/Instructeur is blijkens de korpsfunctiebeschrijving in het bijzonder gericht op het overdragen van vakkennis en het aanleren van vakgerichte vaardigheden. De functie draagt bij aan het vakspecialistische onderwijs binnen de betreffende operationele dienst (of dienstonderdeel) en is gericht op een (verdieping van) specialisme dan wel (de verzorging van) praktijk- en operationeel gerichte opleidingen. Daarbij kan de nadruk liggen op verschillende vakdisciplines, zoals paardrijden, autorijden, luchtwaarneming, schietvaardigheden, fysiek-mentale vorming of wetskennis. De kern van de korpsfunctie van appellant bestaat aldus uit kennisoverdracht en/of het bijbrengen van vaardigheden. Voor zover de feitelijke situatie zou afwijken van de beschrijving van de korpsfunctie, geldt dat de functiebeschrijving leidend is bij de matching en dat het voor rekening en risico van appellant komt dat hij heeft berust in zijn uitgangspositie. Het voorgaande in aanmerking genomen, acht de Raad de keuze voor het domein Ondersteuning niet onjuist (vergelijk de uitspraak van de Raad van 14 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2710).

4.4.

In aanmerking genomen dat het hoofdbestanddeel van de korpsfunctie van appellant bestaat uit kennisoverdracht en/of het bijbrengen van vaardigheden, heeft de korpschef op goede gronden de LFNP-functie van Docent A, met als vakgebied Docenten, aan appellant toegekend.

4.5.

De conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. De enkele stelling dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende voor de conclusie dat het resultaat van de matching (anderszins) onhoudbaar is te achten.

4.6.

Het betoog van appellant dat zijn beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling ten onrechte is verworpen, slaagt evenmin. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie in de zin van deze bepaling. Uit de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 volgt dat het een bewuste keuze is geweest om docenten onder te brengen in het domein Ondersteuning. Dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie is verder inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht en is ook verklaarbaar uit het gegeven dat de werkzaamheden binnen verschillende politieregio’s worden ondergebracht in één nieuw landelijk functiegebouw. Voor zover appellant zich beroept op een verschraling van zijn taken en verantwoordelijkheden leidt dit niet tot een ander oordeel. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling. De Raad verwijst naar zijn onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550.

4.7.

Appellant heeft in hoger beroep zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel herhaald. Hij heeft echter niet aan de hand van concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van, op de rechtens relevante aspecten, gelijke gevallen. Zoals de rechtbank heeft overwogen, verschilt de beschrijving van de korpsfunctie van trajectbegeleider van de korpsfunctiebeschrijving van appellant. Zo blijkt uit die beschrijving niet dat een Docent/Instructeur zich, net als een trajectbegeleider, in hoofdzaak bezighoudt met het begeleiden van aspiranten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus niet.

4.8.1.

Volgens appellant heeft de korpschef het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd door de transponeringstabel op te vatten als een algemeen verbindend voorschrift, waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb geen bezwaar en beroep openstaat, en dit als dragende overweging voor de ongegrondverklaring van het bezwaar te hanteren. Nu hij hiertegen terecht is opgekomen en heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering te verkrijgen, maakt hij aanspraak op vergoeding van proceskosten, aldus appellant.

4.8.2.

De rechtsvragen die met dit betoog worden opgeworpen, heeft de Raad reeds beantwoord in zijn uitspraken van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4804, en

3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:752. De overwegingen in deze uitspraken, waarbij de Raad blijft, zijn ook in dit geval van toepassing, zodat het betoog reeds hierom faalt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding. In het verlengde hiervan bestaat evenmin aanleiding om, zoals is verzocht, te bepalen dat het college het betaalde griffierecht vergoedt.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P.W.J. Hospel

HD