Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
14/6833 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en afwijzen aanvraag. Niet wonen op uitkeringsadres. Feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6833 WWB, 15/5694 WWB, 16/6764 WWB

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2014, 14/3712 en 14/3714 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend, een nader besluit van 5 februari 2015 (nader besluit) ingezonden en op verzoek van de Raad nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2017. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving in de periode van 11 september 2008 tot 8 maart 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Begin juni 2012 heeft zij opnieuw bijstand aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben handhavingsspecialisten van de afdeling Handhaving, Controle Centrum/Oost van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam (handhavingsspecialisten) een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woonadres, woonsituatie en middelen. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten op 6 juli 2012 een gesprek met appellante gevoerd en aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 juli 2012. In dit rapport is geconcludeerd dat de woonsituatie conform de opgave van appellante is. Op basis hiervan heeft het college appellante met ingang van 4 juni 2012 bijstand verleend op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellante staat sinds 13 februari 1998 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) [thans basisregistratie personen] ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). In de periode van 13 februari 1998 tot 28 maart 2011 stonden op het uitkeringsadres ook ingeschreven de twee zoons van appellante [zoon 1] (B) en [zoon 2] (S). In de periode van 10 februari 2003 tot 28 maart 2011 stond [vader] (T), de vader van de kinderen van appellante, eveneens ingeschreven op het uitkeringsadres. Per 28 maart 2011 staan B, S en T ingeschreven op het adres [adres 2] (adres in Almere). Op dat adres staat ook de echtgenote van B ingeschreven.

1.3.

Nadat appellante in oktober 2013 tweemaal zonder afmelding niet was verschenen op een gesprek waarvoor zij was uitgenodigd, hebben de handhavingsspecialisten een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse registraties geraadpleegd en op 28 november 2013 een gesprek gevoerd met appellante. Bij dit gesprek heeft appellante verklaard dat zij niet op het gesprek op 25 november 2013 was verschenen omdat zij van vrijdag tot en met dinsdag bij haar zoon in Almere was, dat zij alleen op het uitkeringsadres woont, dat haar zoon en zijn vriendin wel eens een weekendje komen logeren en dat van haar beide zoons kleding op haar adres ligt. Voorts heeft appellante verklaard dat er wel wat spullen van haar bij haar zoons in Almere liggen, zoals kleding, dat kleding van haar bij haar zoon in de kast ligt, dat zij aan haar arm was geopereerd en om die reden een tijdje bij haar zoon heeft verbleven, dat zij in een week drie à vier dagen bij haar zoon is, meestal in een weekend, dat zij drie à vier dagen thuis slaapt, dat zij ziek is en soms bang is om alleen te slapen, dat zij over het algemeen op de maandag, de dinsdag en de woensdag in haar eigen huis is en op donderdag meestal ook thuis is en dat zij haar administratie voor het grootste deel in Almere bewaart. Ook heeft appellante onder meer nog verklaard: “Ik heb nu geen sleutel van [het uitkeringsadres]. Dinsdag na de afspraak van het ziekenhuis heeft mijn zoon de deur opengemaakt en is vergeten mij de sleutel terug te geven. Ik ben al die tijd binnen gebleven dus had die sleutel niet nodig.” De handhavingsspecialisten hebben kenbaar gemaakt aansluitend aan dit gesprek een huisbezoek te willen afleggen aan het uitkeringsadres. Dit is niet doorgegaan omdat appellante op dat moment geen huissleutel bij zich had. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 november 2013. In dit rapport is geconcludeerd dat appellante geen medewerking heeft verleend aan het afleggen van een huisbezoek op het uitkeringsadres en dat om die reden het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Het college heeft op die grond bij besluit van 29 november 2013 de bijstand van appellante met ingang van 28 november 2013 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Appellante heeft zich op 13 december 2013 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen op grond van de WWB. Op 17 december 2013 heeft zij de aanvraag ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben handhavingsspecialisten van de DWI een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woonadres, woonsituatie en middelen.

1.4.1.

In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer twee bewoners van het pand op het uitkeringsadres als getuigen gehoord, te weten [getuige 1] (H), woonachtig op het adres [adres 3] , en [getuige 2] (ESB), woonachtig op het

adres [adres 4] .

H heeft op 9 januari 2014 het volgende verklaard. Zij woont sinds 2006 op haar adres en kent de buren in het portiek. Op het uitkeringsadres is de samenstelling van de bewoning wisselend. Het zijn mensen in groepjes geweest die meestal langere tijd bleven. In het afgelopen jaar is het een groep mannen geweest. T, appellante en hun twee zoons woonden daar. Zij zijn ergens begin 2010 weggegaan. Appellante en T stonden samen op de markt.

H zag hen ’s morgens met spullen slepen en vertrekken met een wit busje. Eind november 2013 is er iets veranderd. De mensen zijn weg, er staan nu koffers. Een week geleden heeft H appellante voor het eerst weer gezien. Appellante zag het zoontje van H en zei dat hij groot was geworden. Het zoontje van H, vijf jaar oud, herkende appellante niet. Na die ene keer heeft H appellante niet meer gezien.

ESB heeft op 10 januari 2014 het volgende verklaard. Zij woont sinds 2007 op haar adres. Op het uitkeringsadres heeft een familie gewoond. Deze familie, bestaande uit een vader en een moeder en twee meerderjarige kinderen, ziet zij af en toe nog. ESB ziet nu verschillende gezichten. Het gezin is misschien twee, tweeënhalf jaar geleden vertrokken. ESB heeft hen vanaf een bepaald moment niet meer gezien. Zij hadden een grote witte bestelbus en een gele bestelbus. ESB zag deze bestelbussen, die dagelijks in de straat stonden geparkeerd, ook niet meer. Na hun vertrek was het eerst een tijdje stil. Het afgelopen jaar zag ESB dezelfde gezichten, het jaar daarvoor andere. ESB zag deze personen, Indiase mensen, steeds naar buiten en naar binnen gaan. Eén of twee maanden terug heeft ESB de vrouw gezien, de moeder dus. De moeder zag de dochter van ESB en zei: “Jeetje, wat is zij groot”. De vrouw van de getoonde foto is de moeder van het gezin dat hier woonde. ESB heeft geen idee wie er nu woont.

1.4.2.

Voorts hebben de handhavingsspecialisten informatie opgevraagd bij en verkregen van woonstichting [woonstichting] , die de woning op het uitkeringsadres aan appellante verhuurt. Uit de door [woonstichting] verstrekte informatie, in de vorm van een drietal aan appellante gerichte brieven en een overzicht van bezoeken aan de woning op het uitkeringsadres, komt het volgende naar voren. Op 7 november 2013 heeft de beheerder de woning op het uitkeringsadres bezocht vanwege een melding dat een vreemde lucht uit deze woning kwam. De deur werd open gedaan door een meneer [naam] , die vertelde de broer van appellante te zijn. Hij was op vakantie en verbleef in de woning van appellante. In de woning was nog een man aanwezig die geen Nederlands sprak. De beheerder constateerde dat in de woning zeven slaapplaatsen aanwezig waren. Op 13 november 2013 heeft de beheerder nogmaals de woning op het uitkeringsadres bezocht. De deur werd geopend door een man, die vertelde dat appellante getrouwd zou zijn met de heer [naam] en dat de heer [naam] hem de sleutel van de woning had gegeven. Omdat tweemaal een andere man in de woning was aangetroffen en de woning als een pension was ingericht, is appellante opgeroepen voor een gesprek bij [woonstichting] op 26 november 2013. Appellante is toen niet verschenen en is opgeroepen voor een gesprek op 4 december 2013. Appellante verscheen met haar schoondochter en verklaarde dat zij sinds tien maanden niet in de woning op het uitkeringsadres woont vanwege een complexe armbreuk en dat zij doordeweeks in haar woning verblijft. Na het gesprek is de beheerder met appellante naar haar woning gegaan. Op de vraag of appellante kon tonen waar haar kleding was, vertelde appellante dat al haar kleding niet in de woning was, omdat haar wasmachine kapot was. De vraag of appellante wist wat er in de koelkast stond, beantwoordde appellante ontkennend. De koelkast was, op wat flesjes met saus na, geheel leeg en beschimmeld. Op de vraag of appellante in haar woning kookte, antwoordde appellante ontkennend. De keuken was erg smerig. [woonstichting] concludeerde dat appellante niet in haar woning woonde. Bij vier bezoeken aan de woning op het uitkeringsadres in de periode van 31 december 2013 tot en met 10 januari 2014 is appellante niet thuis aangetroffen.

1.4.3.

Op 13 januari 2014 hebben de handhavingsspecialisten een gesprek gevoerd met appellante. Bij dit gesprek heeft appellante onder meer verklaard dat zij alleen woont op het uitkeringsadres, dat zij elke dag slaapt op haar adres, dat zij wat kleding heeft liggen op het adres in Almere, dat zij haar administratie bewaart op een bureautafel, dat de zij de afgelopen nacht in haar woning op de bank heeft geslapen, dat zij, nadat ze haar arm had gebroken, naar Almere was gegaan, dat zij niet meer weet wanneer ze is teruggekomen, dat de afgelopen maanden verre familie in haar woning is geweest, dat het om één man ging, waarvan zij de naam niet meer weet, dat deze man niet in Nederland woont en twee weken in haar woning heeft verbleven, dat er kleding van haar in de woning is, dat zij waspoeder gebruikt van het merk Dreft en dat, toen de beheerder van [woonstichting] in de woning kwam kijken, haar schoondochter de kleren van appellante had meegenomen om te wassen en te strijken.

1.4.4.

Aansluitend aan dit gesprek hebben de handhavingsspecialisten een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Daarbij is onder meer het volgende waargenomen. In een inbouwkast is dameskleding aangetroffen van opmerkelijk dunne stof, gezien het winterseizoen, en zijn vier paar sokken en twee onderbroeken aangetroffen, maar geen bh. In een tweede inbouwkast is herenkleding aangetroffen. In de keuken lagen op het gasfornuis en de aanrecht talrijke muizenkeutels. Bij de wasmachine stond een pak wasmiddel van het merk Persil en een pak wasmiddel van het huismerk van Albert Heijn. De wasmachine was kurkdroog. In de woning werd geen wasmand of losse kleding aangetroffen die als vuile was zou kunnen worden aangemerkt. Appellante kon geen recente poststukken vinden. Zij heeft tijdens het huisbezoek onder meer verklaard dat zij één bh heeft die zij draagt, dat alle herenkleding van haar zoon is, dat zij de polis van [verzekeringsmaatschappij] en alle bankafschriften en facturen voor energieverbruik weggooit en dat in de koelkast de boodschappen liggen die zij die ochtend bij Albert Heijn heeft gehaald.

1.4.5.

De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 januari 2014.

1.5.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

22 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 mei 2014 (bestreden besluit 1), de aanvraag om bijstand van 17 december 2013 af te wijzen. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante onvolledige inlichtingen over haar woonsituatie heeft afgelegd en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6.

In de onderzoeksresultaten heeft het college tevens aanleiding gezien om bij besluit van 18 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 mei 2014 (bestreden besluit 2), het besluit van 29 november 2013 vervallen te verklaren, de bijstand van appellante met ingang van 28 maart 2011 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 28 maart 2011 tot en met 27 november 2013 van appellante terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 32.354,16. Aan het bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet woont op het uitkeringsadres. Zij heeft daarvan geen melding gemaakt aan het college. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.7.

Op 5 maart 2014 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben handhavingsspecialisten van de DWI wederom een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woonadres, woonsituatie en middelen.

1.7.1.

In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer een bewoner van het pand op het uitkeringsadres als getuige gehoord, te weten [getuige 3] , woonachtig op het adres [adres 4] (RV). RV heeft verklaard dat hij sinds vijf of zes jaar met zijn gezin op zijn adres woont, dat hij niet zoveel weet van de boven hem gelegen woning op het uitkeringsadres, dat op dat adres, toen RV er kwam wonen, de familie [naam] woonde, dat deze familie, bestaande uit vader, moeder en één, twee of drie zonen, er volgens RV nog steeds woont, dat hij de vader en de moeder voor het laatst een week of drie geleden heeft gezien, dat zij op de markt staan, dat hij niet weet of de zoons hier wonen, dat zij voor hetzelfde geld hier slapen om vroeg op de markt te kunnen zijn, dat de familie een busje heeft, dat hij dat busje misschien een jaar geleden voor het laatst heeft gezien en dat de vrouw op de getoonde foto de moeder is, dat als hij de familie ziet, dat op straat is en dat hij heel onregelmatig thuis is.

1.7.2.

Naar aanleiding van een toevallige waarneming op 1 april 2014 dat appellante op de warenmarkt in het centrum van Purmerend achter een marktkraam met dameskleding stond en dat zij bezig was kleding van rekken te halen, hebben de handhavingsspecialisten op 8 april 2014 [verhuurder] (M), de verhuurder van de marktkramen aldaar, als getuige gehoord. M heeft, nadat hem een foto van appellante werd getoond, het volgende verklaard. Hij herkent de vrouw van wie de foto is getoond. Zij staat samen met de heer [naam] op de markt. Als M de huur int, rekent de heer [naam] af. Hij en zij verkopen Indiase dameskleding. Zij zijn er niet iedere dinsdag. Het zijn Indiase mensen. Als het regent, zijn ze er vaak niet. De heer [naam] en deze vrouw staan al zeker vijf of zes jaar hier op de markt.

1.7.3.

Verder hebben de handhavingsspecialisten opnieuw contact opgenomen met [woonstichting] met de vraag of nieuwe informatie over appellante beschikbaar was. [woonstichting] heeft daarop een schriftelijke verklaring van H van 31 maart 2014 ingezonden. Deze verklaring luidt als volgt. H ziet geregeld de zoon van appellante. Zij hoort vaak ook andere mannen in het huis en ziet appellante wel eens. Vanaf november 2013 heeft H appellante tweemaal gezien. Appellante heeft wel lange tijd met haar gezin op het uitkeringsadres gewoond. Zij is eind 2011 met haar gezin verhuisd. Vanaf het moment dat appellante was vertrokken, kwamen er groepen mensen, vooral mannen, in haar woning. H had de indruk dat het dan om vier of vijf mannen ging. In het begin van 2012 was daar ook een vrouw bij. H heeft daar veel overlast van gehad, omdat die mannen met elkaar vechten. De situatie is tot nu toe niet anders dan vanaf eind 2011. Het is alleen vanaf november 2013 wel stiller geworden. Appellante zelf woont er niet.

1.7.4.

Voorts hebben de handhavingsspecialisten op 9 april 2014 een gesprek gevoerd met appellante en daaraan voorafgaand een waarneming verricht bij het uitkeringsadres en aansluitend aan het gesprek een huisbezoek afgelegd aan dat adres. Bij dit gesprek heeft appellante onder meer het volgende verklaard. Zij stond vorige week dinsdag op de markt om te helpen. Zij hielp daar T, die een handel in dameskleding heeft. Afgelopen maandag was zij in Almere. Zij is toen in de plaats van haar zoon op de markt gaan helpen, omdat haar zoon met zijn zoon naar het ziekenhuis moest. Op dinsdag staat niet T, maar haar zoon op de markt. Het klopt niet wat M heeft verklaard. Het is de kraam van haar zoon. Het komt maar een enkele keer voor dat zij op de markt is. Het afgelopen jaar is zij daar misschien twee of drie keer geweest. Normaal gesproken is ze daar niet, maar alleen als haar zoon afspraken heeft.

1.7.5.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 april 2014. In dit rapport hebben de handhavingsspecialisten geconcludeerd dat het hoofdverblijf van appellante niet kan worden vastgesteld en dat appellante oncontroleerbare inkomsten heeft. Om deze redenen heeft het college bij besluit van 14 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juli 2014, de aanvraag om bijstand van 5 maart 2014 afgewezen.

1.8.

De Key heeft met een dagvaarding van 30 april 2014 bij de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam, voor zover van belang, de ontruiming van de woning op het uitkeringsadres gevorderd. [woonstichting] heeft daartoe gesteld dat appellante niet haar hoofdverblijf in deze woning heeft en dat in plaats daarvan de woning aan derden wordt verhuurd of in gebruik wordt gegeven. Bij vonnis van 23 mei 2014 heeft de kantonrechter hierover het volgende overwogen:

“De door [woonstichting] gestelde omstandigheden zoals het niet thuis aantreffen van [appellante] tijdens een aantal huisbezoeken, de aanwezigheid van zeven slaapplaatsen in de woning, de aanwezigheid van personen in de woning als [appellante] zelf niet aanwezig is, de afwezigheid van kleding en een zeer gering gevulde koelkast, waarvan [appellante] overigens niet wist wat zich daarin bevond, zijn omstandigheden die erop kunnen duiden dat [appellante] niet haar hoofdverblijf in de woning heeft. Gelet echter op de door [appellante] gegeven verklaringen dat zij een gecompliceerde armbreuk heeft, dat zij in verband hiermee veel bij haar zoon in Almere verblijft, alsook de verklaring van een in de woning aangetroffen persoon die stelt een broer van [appellante] te zijn en stelt zijn vakantie bij haar door te brengen, stelt zij omstandigheden die een ander licht op het door [woonstichting] gestelde kunnen doen schijnen. De thans door partijen over en weer gestelde feiten en omstandigheden, waaronder dat [woonstichting] geen enkel bewijs heeft bijgebracht van het gestelde verblijf van [appellante] elders, rechtvaardigen niet, althans niet zonder nader onderzoek in een eventuele bodemprocedure de conclusie dat [appellante] niet haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft.”

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond, het bestreden besluit 2 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2014 te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen. De verklaringen van de getuigen H en ESB zijn voldoende specifiek om deze als betrouwbaar aan te merken. Uit de getuigenverklaringen is weliswaar af te leiden dat appellante al lange tijd niet meer op het uitkeringsadres woont, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat dit sinds 28 maart 2011 het geval is. Van belang hierbij is dat in juli 2012 een onderzoek is gedaan naar het recht op bijstand en ook een huisbezoek is afgelegd, waarbij geen bijzonderheden zijn geconstateerd. Tegen die achtergrond zijn de enkele getuigenverklaringen onvoldoende voor de conclusie dat appellante vanaf de datum van inschrijving van haar zoons in Almere niet meer in Amsterdam woonachtig is. Uit het rapport van 17 januari 2014 blijkt wel dat appellante ten tijde van het besluit van 29 november 2013 niet meer op het uitkeringsadres woonachtig was. Het college heeft onvoldoende onderzocht of appellante ook in de daaraan voorafgaande periode haar hoofdverblijf al had verplaatst.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard en de rechtbank heeft geoordeeld dat uit het rapport van 17 januari 2014 blijkt dat appellante ten tijde van het besluit van 29 november 2013 niet meer op het uitkeringsadres woonachtig was. Appellante heeft aangevoerd dat zij ten tijde hier van belang wel woonachtig was op het uitkeringsadres. Zij wijst er hierbij op dat tijdens het huisbezoek op 13 januari 2014 kleding, een gevulde koelkast en verzorgingsproducten in de badkamer werden aangetroffen. Voorts heeft appellante het volgende aangevoerd. De getuigenverklaringen van H en ESB, waarop de intrekking en de afwijzing van de aanvraag voornamelijk zijn gebaseerd, zijn niet te rijmen met het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2014. Deze getuigenverklaringen zijn evenmin te rijmen met de bevindingen van het op 6 juli 2012 afgelegde huisbezoek aan het uitkeringsadres in het kader van de bijstandsaanvraag van 4 juni 2012 en zijn voorts inconsistent, gelet op de door beide getuigen genoemde duur van de periode waarin appellante niet meer op het uitkeringsadres woonachtig zou zijn. Dit rechtvaardigt de conclusie dat minimaal één van de getuigen zich vergist. Om die reden en mede gezien het in juli 2012 afgelegde huisbezoek en het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2014, moeten de verklaringen van H en ESB als onbetrouwbaar worden gekwalificeerd. Appellante heeft in dit verband nog gewezen op de structureel slechte verhouding met één van de getuigen.

4.1.

In het kader van de opdracht van de rechtbank om opnieuw onderzoek te doen naar de woonsituatie van appellante in de periode vóór 29 november 2013 heeft een handhavingsspecialist op 10 december 2014 [getuige 4] (V), wonende op het adres [adres 5] , Almere, als getuige gehoord. V heeft het volgende verklaard. Hij woont sinds september 2001 op zijn adres en is sinds 1 oktober 2009 gepensioneerd. Hij kent de buren in ieder geval van gezicht. Op nummer 10 wonen twee gezinnen, te weten een vader en een moeder en hun zoon met een vrouw en een kindje. Er woonde ook een andere zoon, maar hij verblijft wel eens elders. V kent de vrouw van de getoonde foto. Zij is de moeder die hij bedoelde, de vrouw des huizes. Zij woont daar sinds het gezin de woning heeft gekocht. Dat zal vierenhalf tot vijf jaar geleden zijn. V weet dat, omdat zijn vrouw is overleden in april 2010 en die mensen kort daarna zijn komen wonen op het adres in Almere. V ziet die mensen ’s avonds naar binnen gaan en ’s morgens weggaan. Zij staan op braderieën, de man en de zoon apart. V ziet de vrouw wel eens meegaan. Toen de zoon in januari 2013 trouwde, zijn ze allemaal naar India gegaan. V heeft toen op de woning gelet.

4.2.

Voorts heeft het college appellante bij brief van 15 december 2014 verzocht om uiterlijk 22 december 2014 een aantal nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder een overzicht van de dagen dat appellante mee geweest is met de verkoop van kleding en bankgegevens. De geboden hersteltermijn is verlengd tot 5 januari 2015. Appellante heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt.

4.3.

Bij het nader besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2014 opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Gezien de verklaring van V, in combinatie met de verklaringen van H en ESB, kan het hoofdverblijf van appellante op het uitkeringsadres vanaf 28 maart 2011, de datum waarop haar zoons zijn uitgeschreven uit de GBA van Amsterdam, niet worden vastgesteld. Omdat appellante niet heeft gemeld dat zij per die datum niet meer verbleef op het uitkeringsadres, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Daarnaast kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld omdat sprake is van oncontroleerbare inkomsten. Appellante heeft niet gemeld dat zij kennelijk op loon waardeerbare arbeid verrichtte. Zij heeft binnen de haar geboden hersteltermijn geen administratie en/of andere gegevens daarover overgelegd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Het college heeft weliswaar bij het besluit van 18 februari 2014 besloten het besluit van 29 november 2013 te laten vervallen, maar ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college kenbaar gemaakt dat is beoogd de ingangsdatum van de intrekking te wijzigen en niet om de - in dat intrekkingsbesluit besloten liggende - beëindiging van de bijstand per 29 november 2013 ongedaan te maken. De Raad is van oordeel dat het besluit van 18 februari 2014 inderdaad zo moet worden verstaan. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de bijstand is uitbetaald tot en met 27 november 2013 en dat appellante kort daarna een aanvraag om bijstand heeft ingediend, loopt in dit geval voor de intrekking de te beoordelen periode van 28 maart 2011 tot en met 9 maart 2012 en van 4 juni 2012 tot en met 29 november 2013 (te beoordelen periode 1). Voor de afwijzing van de aanvraag om bijstand loopt de te beoordelen periode van 13 december 2013, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 22 januari 2014, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode 2).

Aangevallen uitspraak

5.3.1.

H en ESB hebben de in 1.4.1 weergegeven verklaringen onafhankelijk van elkaar afgelegd. Deze verklaringen zijn gedetailleerd en ook in die zin consistent dat H en ESB verklaren dat appellante al geruime tijd niet meer op het uitkeringsadres woonachtig is. De verklaringen van H en ESB komen voort uit eigen waarneming en zien deze op de feitelijke woonsituatie op het uitkeringsadres in de hier te beoordelen periodes.

5.3.2.

Voor zover appellante met haar verwijzing naar de structureel slechte verhouding met één van de getuigen de objectiviteit, en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige in twijfel heeft willen trekken, bestaat daarvoor, gelet op 5.3.1, geen grond.

5.3.3.

Dat de verklaringen van H en ESB niet eensluidend zijn wat betreft het aanvangsmoment waarop appellante volgens H en ESB niet meer woont op dat adres, rechtvaardigt noch op zichzelf noch in samenhang bezien met de bevindingen van het huisbezoek op 6 juli 2012 en het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2014 de conclusie dat deze verklaringen als zodanig onbetrouwbaar zijn.

5.3.4.

Op basis van onder meer de bevindingen van het huisbezoek op 6 juli 2012 hebben de handhavingsspecialisten geconcludeerd dat de woonsituatie conform de opgave van appellante is, maar dit zegt niets over de periode voorafgaand aan het huisbezoek, zoals de vertegenwoordiger van het college ter zitting van de Raad terecht heeft opgemerkt. Gelet op de verklaringen van H en ESB en ook die van V valt bovendien niet uit te sluiten dat appellante in verband met haar bijstandsaanvraag begin juni 2012 haar woonsituatie anders heeft voorgespiegeld dan deze feitelijk was.

5.3.5.

Aan het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2014 komt niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat de kantonrechter zich voor zijn oordeel uitsluitend heeft gebaseerd op de bevindingen van het onderzoek van [woonstichting] en niet tevens op de bevindingen van het onderzoek van de handhavingsspecialisten. Daarnaast houdt het in 1.8 weergegeven oordeel van de kantonrechter niet meer in dan dat, gelet op wat appellante had gesteld en omdat bewijs voor verblijf elders ontbrak, de voorhanden zijnde onderzoeksbevindingen van [woonstichting] niet voldoende werden geacht om op dat moment al te kunnen concluderen dat appellante niet haar hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres.

5.4.

Anders dan appellante en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verklaringen van H en ESB, in samenhang bezien met de in het rapport van 17 januari 2014 opgenomen onderzoeksbevindingen, waarvan in het bijzonder de door [woonstichting] verstrekte informatie en de bevindingen van het huisbezoek op 13 januari 2014, voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante ten tijde van het besluit van 29 november 2013 en in de te beoordelen periode 2 niet woonde op het uitkeringsadres. Weliswaar is tijdens het huisbezoek op 13 januari 2014 wat kleding van appellante aangetroffen, maar de geringe hoeveelheid daarvan duidt er bepaald niet op dat appellante de woning op dat adres bewoonde. Wat betreft de gevulde koelkast heeft appellante zelf verklaard dat in de koelkast de boodschappen lagen die zij die ochtend bij de Albert Heijn had gehaald. Wat betreft de verzorgingsproducten die in de badkamer zijn aangetroffen, gaat het om niet meer dan een fles mondwater, een tandenborstel, een tube tandpasta en fles shampoo. Dit weegt niet op tegen de overige bevindingen van het huisbezoek, zoals de geringe hoeveelheid dameskleding die werd aangetroffen, in combinatie met het ontbreken van vuile was, de talrijke muizenkeutels die in de keuken lagen en het feit dat een ander merk wasmiddel werd aangetroffen dan het merk dat appellante tijdens het gesprek voorafgaand aan het huisbezoek had genoemd.

5.5.

Uit 5.3 en 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

Nader besluit

5.6.

Appellante heeft tegen het nader besluit in de eerste plaats het volgende aangevoerd. Op basis van de bevindingen van het huisbezoek op 6 juli 2012 mag worden verondersteld dat appellante woonachtig was op het uitkeringsadres. Uit de getuigenverklaringen, die algemeen van aard zijn, kan niet worden geconcludeerd dat appellante niet woonde op dat adres.

5.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De verklaringen van H en ESB, in samenhang bezien met de verklaring van V, bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode 1 niet woonde op het uitkeringsadres. Anders dan appellante heeft gesteld, zijn de verklaringen van H, ESB en V niet algemeen van aard, maar concreet toegespitst op de feitelijke woonsituatie op het uitkeringsadres en het adres in Almere. De in 4.1 opgenomen verklaring van V laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Van belang hierbij is dat V zijn wetenschap over het moment waarop appellante op het adres in Almere is komen wonen koppelt aan een voor hem belangrijke levensgebeurtenis, te weten het overlijden van zijn vrouw in april 2010. De enkele omstandigheid dat tijdens het onderzoek in het kader van de bijstandsaanvraag van begin juni 2012 geen aanwijzingen zijn gevonden dat appellante op dat moment niet woonde op het uitkeringsadres, weegt niet op tegen de bevindingen van het latere onderzoek, waarvan in het bijzonder de verklaringen van H, ESB en V, waaruit blijkt dat appellante daar toen al niet meer woonde. Hoewel deze verklaringen niet eensluidend zijn voor wat betreft het moment waarop appellante niet meer op het uitkeringsadres woonde, kan daaruit wel worden afgeleid dat appellante in ieder geval vanaf 28 maart 2011 niet meer woonachtig was op het uitkeringsadres.

5.8.

Appellante heeft in de tweede plaats aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat zij oncontroleerbare inkomsten heeft gehad. Zij wijst erop dat dit standpunt slechts wordt gebaseerd op een eenmalige verklaring van de verhuurder van marktkramen. Appellante betwist niet dat zij regelmatig met de heer [naam] de markt ging bezoeken, maar wel dat zij daar heeft gewerkt.

5.9.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellante stelt, wordt de feitelijke grondslag voor het standpunt van het college niet alleen gevormd door de verklaring van M, maar ook door de verklaringen van H en RV, die beiden hebben verklaard dat appellante op de markt staat, en door de verklaring van appellante zelf dat zij wel eens meehelpt op de markt. Het meehelpen op de markt is onmiskenbaar een op geld waardeerbare activiteit. Appellante heeft geen enkel gegeven verstrekt over de omvang daarvan.

5.10.

Uit 5.7 en 5.9 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond moet worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) L.V. van Donk

HD