Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
15/5297 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag woonkostentoeslag. Berekening conform beleid. Woonlasten kunnen delen met ex-echtgenoot. Tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dubbele woonlasten door eigen keuze voor huur andere woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5297 WWB

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

16 juli 2015, 15/881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Sloof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Bij brief van 25 mei 2016 heeft het college nadere stukken ingediend.

Namens appellant heeft mr. F. Gül, als opvolgend raadsvrouw, hierop bij brief van 1 juni 2016 gereageerd. Zij heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 14/6843 WWB, 16/2303 WWB en 16/2537 PW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gül. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.R. Klijn en M.W. Meijer. In de zaken 14/6843 WWB, 16/2303 WWB en 16/2537 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang achtereenvolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en een uitkering ingevolge de Ziektewet. Hij was tezamen met zijn voormalige echtgenote eigenaar van de woning die hij alleen bewoonde. Op de woning rustte een hypotheek, verbonden aan een lening die door hen gezamenlijk was afgesloten bij de [bank] .

1.2.

Op 27 augustus 2014 heeft appellant een aanvraag gedaan om, voor zover hier van belang, bijzondere bijstand voor zijn woonkosten (woonkostentoeslag) over de periode van

1 september 2014 tot en met 31 augustus 2015, bestaande uit onder meer de rente over de hypothecaire lening (hypotheekrente).

1.3.

Bij besluit van 22 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de woonkosten over de periode van 1 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 afgewezen op de grond dat hij voldoende draagkracht had om deze te betalen.

1.4.

Vanaf 1 februari 2015 is appellant geen eigenaar meer van de woning door verkoop en overdracht daarvan. De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen, verantwoordelijk voor de Nationale Hypotheek Garantie heeft appellant bij brief van 17 maart 2015 laten weten, verkort weergegeven, dat de verkoopopbrengst van de woning onvoldoende was om de hypothecaire lening volledig af te lossen en dat het hierdoor ontstane verlies, met uitzondering van het bedrag van de nog onbetaalde hypotheekrente, hem wordt kwijtgescholden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat zijn inkomen niet voldoende was om zijn woonkosten te betalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag ziet op de periode van 1 september 2014 tot 1 februari 2015 nu appellant vanaf laatstgenoemde datum niet langer eigenaar is van de woning. Gelet op de standpunten van partijen in hoger beroep gaat ook de Raad ervan uit dat de aanvraag om woonkostentoeslag nog slechts betrekking heeft op deze periode, zodat het bestreden besluit slechts ter beoordeling staat voor zover het deze periode betreft.

4.2.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid.

4.3.

Het college heeft zijn standpunt dat appellant over voldoende inkomen beschikt om de woonkosten te dragen gebaseerd op een berekening van de woonkosten en de draagkracht van appellant. Deze berekening heeft het college gebaseerd op het beleid dat is vervat in de richtlijn B146, getiteld Berekening woonkostentoeslag eigenaren, van 8 april 2014. Bij het opstellen van het beleid is aansluiting gezocht bij de berekeningssystematiek van de Wet op de Huurtoeslag. Niet in geschil is dat dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling ligt.

4.4.

De berekening betreft in de eerste plaats het bedrag van de woonkostentoeslag waarvoor appellant eventueel in aanmerking zou kunnen komen. Hierbij heeft het college de draagkracht van appellant vastgesteld op zijn netto inkomen, verminderd met de voor hem geldende bijstandsnorm. De totale maandelijkse woonlast heeft het college vastgesteld op het bedrag aan verschuldigde hypotheekrente, vermeerderd met een forfaitair bedrag aan overige eigenaarslasten. Hierop heeft het college een bedrag ter grootte van de maximale in de bijstandsnorm vervatte woonkostencomponent in mindering gebracht. Het college heeft op basis van deze berekeningen het totale bedrag aan eventuele woonkostentoeslag vastgesteld. Het college is er voorts van uitgegaan dat appellant in aanmerking zou komen voor de helft van die woonkostentoeslag op de grond dat appellant wordt geacht de woonlasten met zijn voormalige echtgenote te delen. Het college heeft geconcludeerd dat de draagkracht van appellant het bedrag van de aldus berekende eventuele woonkostentoeslag overstijgt, zodat appellant de woonkosten kan voldoen uit zijn inkomen.

4.5.

Niet in geschil is dat de berekening van het college in overeenstemming is met het beleid. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of het college bij de berekening van de woonkosten in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van niet meer dan de helft van de eventuele woonkostentoeslag op de grond dat appellant de hypotheekrente met zijn voormalige echtgenote kan delen.

4.6.

Het door het college gehanteerde beleid gaat ervan uit dat als gehuwden uit elkaar gaan, maar nog gezamenlijk eigenaar zijn van de woning, zoals in het geval van appellant, zij ook beiden nog verantwoordelijk zijn voor de betaling van de rente aan de bank. De Raad begrijpt wat appellant heeft aangevoerd aldus dat het college volgens appellant met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht op dit punt van het beleid had moeten afwijken.

4.7.

Appellant heeft in dit verband betoogd dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet die tot afwijking van het beleid moet leiden. Die omstandigheid is gelegen in het feit dat hij feitelijk de woonkosten niet met zijn voormalige echtgenote kon delen. Appellant heeft zijn standpunt toegelicht met de stelling dat bij de echtscheiding is afgesproken dat appellant de volledige hypotheeklasten voor zijn rekening zou nemen, dat hij geen gebruiksvergoeding voor de voormalige echtelijke woning hoefde te betalen en dat zijn voormalige echtgenote over onvoldoende middelen beschikte om haar helft van de hypotheeklasten te voldoen.

4.8.

Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft zijn stelling dat hij in het kader van de echtscheiding afspraken over de betaling van de hypotheekrente heeft gemaakt niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat een dergelijke afspraak, indien aannemelijk gemaakt, voor het college redelijkerwijs geen grond had hoeven vormen om bij de berekening van de eventuele woonkostentoeslag rekening te houden met de volledige hypotheeklasten. De afspraak dat de voormalige echtgenote geen bijdrage hoeft te leveren aan het voldoen van de hypotheekverplichtingen betreft een keuze van appellant die voor zijn rekening en risico dient te komen. De gevolgen van die keuze kunnen niet in het kader van de WWB worden afgewenteld op de gemeenschap. Ter zitting van de Raad heeft appellant gesteld dat de rechter bij de echtscheiding heeft bepaald dat appellant de volledige hypotheeklasten dient te dragen. Ook deze stelling heeft hij echter niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door overlegging van de echtscheidingsbeschikking. Appellant heeft voorts ook zijn stelling dat zijn voormalige echtgenote over onvoldoende middelen beschikte om de helft van de hypotheeklasten te voldoen niet aannemelijk gemaakt. De enkele mededeling dat zij bijstand ingevolge de WWB ontving is daartoe onvoldoende.

4.9.

Appellant heeft verder betoogd dat hij vanaf 1 oktober 2014 tot 1 februari 2015 dubbele woonlasten heeft gehad, doordat hij met ingang van eerstvermelde datum een woning had gehuurd met het oog op de op handen zijnde verkoop van de voormalige echtelijke woning. Dit vormt in zijn visie eveneens een bijzondere omstandigheid op grond waarvan afwijking van het beleid aangewezen was.

4.10.

Ook dit betoog slaagt niet. De door appellant gestelde dubbele woonlasten waren het gevolg van de keuze van appellant om naast zijn koopwoning met bijbehorende lasten een huurovereenkomst met betrekking tot een tweede woning aan te gaan. De gevolgen van deze keuze dienen eveneens voor rekening en risico van appellant te blijven.

4.11.

Wat onder 4.1 tot en met 4.10 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. Smolders

HD