Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
14/6843 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Bijzondere bijstand woonkosten. Huis is inmiddels verkocht. Geen procesbelang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6843 WWB

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 november 2014, 14/4544 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Sloof, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Bij brief van 25 mei 2016 heeft het college nadere stukken ingediend.

Namens appellant heeft mr. F. Gül, als opvolgend raadsvrouw, hierop bij brief van 1 juni 2016 gereageerd. Zij heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 15/5297 WWB, 16/2303 WWB en 16/2537 PW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gül. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.R. Klijn en M.W. Meijer. In de zaken 15/5297 WWB, 16/2303 WWB en 16/2537 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Hij was tezamen met zijn voormalige echtgenote eigenaar van de woning die hij alleen bewoonde. Op de woning rustte een hypotheek, verbonden aan een lening die door hen gezamenlijk was afgesloten bij de [bank] .

1.2.

Op 2 december 2013 heeft appellant een aanvraag gedaan om, voor zover hier van belang, bijzondere bijstand voor zijn woonkosten over de periode van 1 september 2013 tot en met

31 augustus 2014 (woonkostentoeslag), bestaande uit onder meer de rente over de lening (hypotheekrente).

1.3.

Bij besluit van 12 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de woonkosten over de periode van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2014 afgewezen op de grond dat appellant voldoende draagkracht had om deze te betalen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat zijn inkomen niet voldoende was om zijn woonkosten te betalen.

4. Vanaf 1 februari 2015 is appellant geen eigenaar meer van de woning door verkoop en overdracht daarvan. De Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen, verantwoordelijk voor de Nationale Hypotheek Garantie, heeft appellant bij brief van 17 maart 2015 laten weten, verkort weergegeven, dat de verkoopopbrengst van de woning onvoldoende was om de hypothecaire lening volledig af te lossen en dat het hierdoor ontstane verlies, met uitzondering van het bedrag van de nog onbetaalde hypotheekrente, hem wordt kwijtgescholden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ter zitting van de Raad heeft appellant meegedeeld dat de nog onbetaalde rente, bedoeld in de brief van 17 maart 2015, betrekking had op achterstallige hypotheekrentebetalingen over de periode van 1 oktober 2014 tot 1 februari 2015. Niet in geschil is dat appellant geen woonkosten meer is verschuldigd over de periode van 1 september 2013 tot en met

31 augustus 2014.

5.2.

Gelet op het voorgaande is de vraag aan de orde of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep, dat ziet op de woonkosten over voormelde periode. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0905) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben.

5.3.

Appellant heeft ter zitting van de Raad, gevraagd naar zijn procesbelang in deze zaak, geen (nader) punt van belang naar voren gebracht.

5.4.

Wat in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellant onvoldoende belang heeft bij een uitspraak op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. Smolders

HD