Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16/1349 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel in verband met onvoldoende gebruik maken van aangeboden voorziening. Onacceptabel gedrag aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1349 WWB

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

15 januari 2016, 15/2792 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Namens appellant is verschenen mr. Yeniasci. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.S. Sitaram.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 2 april 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 4 december 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2014 verlaagd voor de duur van een maand met 100%.

1.3.

Bij besluit van 13 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2014 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant op 14 november 2014 door de werkleiding op de trajectlocatie [BV] is weggestuurd wegens het vertonen van onacceptabel gedrag. Hierdoor heeft appellant zijn arbeidsinschakeling belemmerd en onvoldoende medewerking verleend aan de aangeboden voorziening. Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB en de artikelen 9, derde lid, aanhef en onder f en onder g, en 10, aanhef en onder c, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Geldrop-Mierlo 2014 (Maatregelenverordening).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht waarde heeft gehecht aan het verslag van de werkleider dat op 14 november 2014 is opgemaakt en waaruit blijkt dat appellant tegen de op de trajectlocatie aanwezige groepsleider heeft gezegd: “Je bent zeker ziek in je kop” waarna appellant de groepsleider een duw heeft gegeven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het verslag van 14 november 2014 direct na het incident en mede aan de hand van verklaringen van aanwezigen bij het incident is opgetekend. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant wisselende verklaringen heeft afgelegd over het voorval op 14 november 2014 en dat appellant, hoewel hij stelt mishandeld en bedreigd te zijn door de groepsleider, eerst pas op 29 december 2014 aangifte bij de politie heeft gedaan. Vanwege het tijdsverloop tussen het incident en de aangifte kon niet meer gecontroleerd worden of de door appellant gepresenteerde feiten op waarheid berustten, door bijvoorbeeld het tonen van de blauwe plek die appellant naar eigen zeggen aan de mishandeling had overgehouden. De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat aan het re-integratietraject door toedoen van appellant voortijdig een einde is gekomen. Daarmee heeft appellant zijn arbeidsinschakeling belemmerd en onvoldoende gebruik gemaakt van de aangeboden voorziening en was het college, op grond van de artikelen 9, derde lid, aanhef en onder f en onder g, en 10, aanhef en onder c, van de Maatregelenverordening gehouden de bijstand met 100% gedurende een maand te verlagen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij geen onacceptabel gedrag heeft vertoond en dat het juist de groepsleider was die hem heeft aangevallen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De onder 3 genoemde grond is in wezen een herhaling van wat appellant in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgrond beoordeeld. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C. Moustaïne

HD