Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:935

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
14/1519 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling bij volledig tegemoetkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 maart 2017

14/1519 WWB, 14/1520 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 februari 2014, 13/4804 en 13/3940 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 10 oktober 2016 heeft J. van den Ende namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de (proces)kosten die appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt.

Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Vastgesteld wordt dat het hoger beroep is ingetrokken omdat het college aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen door de beslissingen op bezwaar van 28 mei 2013 en 19 juni 2013 in te trekken en de ten aanzien van appellant genomen besluiten van 22 maart 2013 te herroepen. Het college heeft in zijn verweerschrift erkend dat genoemde beslissingen op bezwaar achteraf gezien onrechtmatig waren.

Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Tot vergoeding van de kosten in bezwaar bestaat geen aanleiding, reeds omdat daarom in bezwaar niet is verzocht en om die reden niet voldaan is aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 990,- in beroep en

€ 495,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van

E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) E. Blijleven-de Vries

IJ