Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
16/345 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering naar een thuiswonende studerende. Besluit onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/345 WSF

Datum uitspraak: 8 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2015, 15/5243 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Seme, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Seme. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 21 juli 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van het onderzoek is op 28 juli 2014 een rapport opgemaakt.

1.2.

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de minister de aan appellant toegekende studiefinanciering op basis van dat rapport herzien, in die zin dat appellant met ingang van

1 januari 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is door de minister ongegrond verklaard bij besluit van 5 november 2014 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De minister heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde herziening gebaseerd op de resultaten van een onderzoek naar de woonsituatie van appellant. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs in opdracht van een privaat bedrijf waarvan de daar werkzame personen ingevolge een uitgevaardigd aanwijzingsbesluit belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Ter zitting van de Raad heeft de minister desgevraagd verklaard dat een van de controleurs het onderzoek heeft verricht als zelfstandige zonder personeel.

4.2.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.

4.2.2.

In zijn uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, heeft de Raad overwogen dat met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het uitoefenen van dat toezicht de grens van wat nog aanvaardbaar is, is bereikt. Niet kan worden aanvaard dat private bedrijven dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) uitbesteden aan een derde. Dit oordeel is herhaald en nader gemotiveerd in de uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186. Uit deze uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur, waarvan in dit geval sprake is, als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.3.1.

Omdat uitsluitend deze bevindingen aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, is dat besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd, zodat het moet worden vernietigd.

4.3.2.

De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit hetgeen appellant bij de rechtbank en de Raad naar voren heeft gebracht, kan worden afgeleid dat appellant niet op het adres woonde waaronder hij staat ingeschreven in de basisregistratie personen (brp). Appellant heeft het standpunt van de minister bestreden. Naar zijn opvatting interpreteert de minister hetgeen hij naar voren heeft gebracht onjuist. De omstandigheid dat hij in verband met een ziekenhuisopname en het daarop volgende revalidatieproces enige tijd niet op het brp-adres heeft verbleven, brengt naar zijn mening niet met zich dat hij niet meer op zijn brp-adres woonde. Er is geen sprake van een situatie waarin duidelijk is dat het standpunt van een van de partijen juist.

4.3.3.

De Raad ziet, gelet op wat is overwogen in 4.3.2 aanleiding om de minister op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 augustus 2014 met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

4.4.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

5. Er bestaat aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 5 november 2014 en bepaalt dat de minister een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen het nader te nemen besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat de minister het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.S.E.S. Umans

RH