Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:93

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
14/6811 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6811 AOW

Datum uitspraak: 6 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2014, 14/1419 en 14/1420 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] (appellant), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], gemeente [gemeente] (erven)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.J. van Vlokhoven hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Vlokhoven heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016. Namens de erven zijn mr. Van Vlokhoven en

mr. J.H.A. Kets verschenen, beiden werkzaam bij Hof Groep accountants en adviseurs. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving een pensioen en een toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). In 2011 heeft de Svb van de Belastingdienst een melding ontvangen dat de echtgenote van appellant inkomsten ontving die van invloed konden zijn op de toeslag van appellant. Na ontvangst van een aangifte inkomstenbelasting 2011 van de echtgenote heeft de Svb in april 2013 aan appellant verzocht nadere gegevens te verstrekken over het inkomen van zijn echtgenote over de jaren 2006 tot en met 2010 en 2012. In juni 2013 heeft mr. Kets deze gegevens namens appellant en zijn echtgenote aan de Svb verstrekt.

1.2.

Bij brief van 22 juli 2013 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij vanaf juli 2013 geen toeslag meer zou ontvangen en dat hij over de maanden januari 2006 tot en met december 2011 een onjuist bedrag aan toeslag had ontvangen. Voor meer informatie over de teveelbetaling werd verwezen naar een andere brief van dezelfde datum. In die brief is vermeld dat appellant vanaf januari 2006 tot en met december 2011 een bedrag van

€ 41.409,65 te veel aan toeslag had ontvangen. De Svb heeft appellant verzocht dit bedrag binnen zes weken terug te betalen, dan wel binnen die termijn om een betalingsregeling te vragen. Beide brieven bevatten een bezwaarclausule.

1.3.

Bij brief van 25 juli 2013 heeft mr. Kets aan de Svb om een toelichting gevraagd op de uit bankafschriften blijkende verlaging van de uitkering van appellant met ingang van juli 2013. De Svb heeft telefonisch contact opgenomen met de Hof Groep, maar daar niemand aangetroffen die de zaak kon behandelen. Vervolgens heeft de Svb op 1 augustus 2013 een brief aan de Hof Groep gezonden waarin is gemeld dat appellant en zijn echtgenote waren ingelicht over de hoogte van het AOW-pensioen en de toeslag. Voor verdere informatie verwees de Svb naar appellant en zijn echtgenote.

1.4.

Op 9 september 2013 heeft mr. Kets telefonisch contact opgenomen met de Svb, waarbij aan de orde is geweest dat de brieven van 22 juli 2013 tijdens een vakantie van appellant en zijn echtgenote bij hen thuis waren bezorgd en dat de bezwaartermijn inmiddels was verstreken. Bij brief van 12 september 2013 heeft mr. Kets dit telefoongesprek bevestigd. De Svb heeft de brief van 12 september 2013 opgevat als een bezwaarschrift tegen de beslissingen van 22 juli 2013.

1.5.

Bij besluit van 13 september 2013 heeft de Svb aan appellant laten weten dat hij het onverschuldigde bedrag van € 41.409,65 binnen zes weken moest voldoen, aangezien de Svb geen ander betalingsvoorstel van hem had ontvangen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.6.

Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de brieven van 22 juli 2013 niet het karakter van een beslissing dragen, althans dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Inhoudelijk is aangevoerd dat er altijd correct aangifte inkomstenbelasting is gedaan en dat uit de informatievoorziening van de Svb niet blijkt dat de meewerkbeloning van de echtgenote van appellant van invloed is op de toeslag en actief moet worden gemeld.

1.7.

Bij besluit van 29 januari 2014 (bestreden besluit I) heeft de Svb het bezwaar tegen de beslissingen van 22 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard. De Svb heeft hiertoe overwogen dat uit de brieven duidelijk blijkt dat het gaat om beslissingen waartegen bezwaar open staat, dat appellant maatregelen had moeten nemen voor de te ontvangen post en dat er vanuit de Svb geen toezeggingen zijn gedaan over de ontvankelijkheid van het bezwaar.

1.8.

Bij een tweede besluit van 29 januari 2014 (bestreden besluit II) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2013 gegrond verklaard en besloten dat maandelijks een bedrag van € 1.360,05 zal worden verrekend met het pensioen van appellant. Ook het vakantiegeld zal voor de verrekening worden benut.

2.1.

In beroep tegen bestreden besluit I heeft appellant aangevoerd dat de brieven van

22 juli 2013 volledig ongemotiveerd zijn en blijkens telefonische mededeling van de Svb slechts een vooraankondiging bevatten, en dat de brief van 25 juli 2013 als bezwaarschrift moet worden beschouwd.

2.2.

Tegen bestreden besluit II heeft appellant aangevoerd dat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, althans dat het onvoldoende is gemotiveerd. Uit de informatieverstrekking door de Svb blijkt niet dat de meewerkbeloning van invloed is op de hoogte van de AOW-toeslag en de Svb heeft niet gemotiveerd waarom dit het geval zou zijn. Verder heeft de Svb tot begin 2013 nooit om inkomensgegevens gevraagd, hoewel altijd correcte aangiften inkomstenbelasting zijn gedaan.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep tegen beide besluiten ongegrond verklaard. Met betrekking tot bestreden besluit I heeft de rechtbank overwogen dat de brieven van

22 juli 2013 blijkens hun tekst duidelijk besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief van 25 juli 2013 bevat slechts een verzoek om informatie en kan niet als bezwaarschrift worden opgevat. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake, aangezien van appellant kon worden verwacht dat hij maatregelen zou treffen voor de verwerking van zijn post tijdens zijn vakantie. De gronden die appellant tegen bestreden besluit II heeft aangevoerd, zijn inhoudelijk niet gericht tegen de vastgestelde aflossingscapaciteit.

3. In hoger beroep zijn dezelfde argumenten aangevoerd als in eerste aanleg.

4.1.

De Raad overweegt als volgt.

4.2.

Hoewel de brieven van 22 juli 2013 nauwelijks een motivering bevatten en niet in alle opzichten uitblinken in duidelijkheid, is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat zij zijn gericht op rechtsgevolg en daarom moeten worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In deze brieven, in onderlinge samenhang beschouwd, stelt de Svb immers vast dat appellant vanaf januari 2006 tot en met december 2011 teveel toeslag heeft ontvangen, op welk bedrag deze toeslag per maand wordt gesteld, welk bedrag in totaal onverschuldigd is betaald en binnen welke termijn dit bedrag op welke wijze moet zijn terugbetaald. Bovendien bevatten beide brieven een bezwaarclausule. Aan het besluitkarakter doet niet af dat de Svb zich op voorhand verbindt een nieuw invorderingsbesluit te nemen als appellant binnen de betalingstermijn een redelijke betalingsregeling voorstelt die leidt tot volledige terugbetaling binnen een jaar.

4.3.

Nu de primaire besluiten onweersproken op 22 juli 2013 zijn verzonden, liep de bezwaartermijn af op 2 september 2013. De brief van mr. Kets van 25 juli 2013 bevat slechts een verzoek om een toelichting op de verlaging van de uitkering van appellant met ingang van juli 2013. Hierin kan geen begin van bezwaar worden gelezen en deze brief kan dan ook niet als bezwaarschrift worden opgevat. Pas bij brief van 12 september 2013 heeft mr. Kets zich opnieuw tot de Svb gewend. De bezwaartermijn was toen inmiddels verstreken.

4.4.

De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Naar aanleiding van de brief van mr. Kets van 25 juli 2013 heeft de Svb geprobeerd telefonisch contact op te nemen met mr. Kets. Zij was echter niet aanwezig en werd kennelijk niet waargenomen. De Svb heeft toen, nog ruimschoots binnen de bezwaartermijn, een brief aan de Hof Groep geschreven. In die brief is meegedeeld dat appellant was ingelicht over de hoogte van zijn pensioen en de toeslag, en is de Hof Groep naar appellant verwezen. Meer details heeft de Svb vanuit een oogpunt van privacybescherming niet verstrekt, aangezien appellant de Hof Groep niet formeel had gemachtigd. Hoewel aan de Raad niet volledig duidelijk is waarom de Svb in deze brief niet heeft vermeld dat er beslissingen waren genomen waartegen binnen een bepaalde termijn bezwaar kon worden gemaakt, moet worden vastgesteld dat de Svb zorgvuldig is omgegaan met het verzoek om informatie. Dat niet binnen de wettelijk vastgestelde termijn een bezwaarschrift is ingediend, is veeleer te wijten aan het feit dat appellant noch de Hof Groep toereikende maatregelen heeft genomen voor waarneming tijdens de vakantieperiode dan aan onzorgvuldig handelen door de Svb. Dit klemt temeer nu appellant en de Hof Groep konden verwachten dat de Svb naar aanleiding van de verstrekte inkomensgegevens nieuwe besluiten over de AOW-toeslag van appellant zou nemen. Het bezwaar tegen de primaire besluiten van 22 juli 2013 is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank op dit punt treft geen doel.

4.5.

De door appellant in beroep aangevoerde gronden richten zich inhoudelijk niet tegen de wijze van invordering. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit II eveneens terecht ongegrond verklaard.

4.6.

Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat er geen aanleiding is om de herberekening van de toeslag van appellant over 2006 tot en met 2011 onjuist te achten. De bij en krachtens de AOW vastgestelde bepalingen bevatten geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van appellant dat de meewerkbeloning van zijn echtgenote geen inkomen uit arbeid is in de zin van artikel 8 van de AOW.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) L.H.J. van Haarlem

TM