Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
15/5161 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundige Van Eck heeft in opdracht van de rechtbank een rapport uitgebracht dat door de rechtbank op goede gronden aan haar oordeel ten grondslag is gelegd. De Raad onderschrijft de in 2.6 aangehaalde overweging van de rechtbank. Niet in geschil is dat de FML van 24 maart 2014 de beperkingen volledig weergeeft volgens Van Eck. In het arbeidsdeskundige rapport bezwaar en beroep van 25 maart 2014 is inzichtelijk gemaakt dat appellant met beperkingen in staat is de functies van productiemedewerker industrie, inpakker en huishoudelijk medewerker te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5161 WIA

Datum uitspraak: 8 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 juni 2015, 12/2573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nadere standpuntbepaling ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de nadere standpuntbepaling van appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017. Namens appellant is
mr. Vetter verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 19 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant niet met ingang van 8 maart 2012 in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Aan dit besluit liggen een verzekeringsgeneeskundig rapport van
2 maart 2012 en een arbeidskundig rapport van 15 maart 2012 ten grondslag. Uit het verzekeringsgeneeskundig rapport is af te leiden dat de verzekeringsarts bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant en de vastlegging van die belastbaarheid in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 maart 2012 onder meer gebruik heeft gemaakt van het expertiserapport dat psychiater W.M.J. Hassing op verzoek van het Uwv op
17 februari 2012 had uitgebracht.

1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 19 maart 2012 bezwaar gemaakt en ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn psychische beperkingen heeft onderschat onder meer een rapport ingebracht van de aan PuntP verbonden behandelend
psychiater H. Dalmeijer van 6 juli 2012. Bij besluit van 27 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en zijn besluit van 19 maart 2012 gehandhaafd. Het bestreden besluit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig rapport van 26 juli 2012 en een arbeidskundig rapport van 26 september 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het kader van de heroverweging in bezwaar de belastbaarheid van appellant opnieuw vastgelegd in een FML van 26 juli 2013. Deze FML wijkt af van de FML van 2 maart 2012 omdat niet langer een beperking wordt aangenomen op item 2.12.4 “cliënt is aangewezen op werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is”.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft bij de rechtbank een expertiserapport ingebracht dat op zijn verzoek op 7 maart 2013 is opgemaakt door psychiater M.R. Weeda.

2.2.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om zich nader te laten voorlichten door een onafhankelijk medisch deskundige en daartoe psychiater J.P.A. van Eck benoemd. Van Eck heeft met een rapport van 17 december 2013 geantwoord op de door de rechtbank aan hem gestelde vragen. Op de vraag of kan worden ingestemd met de FML van 26 juli 2013 heeft Van Eck ontkennend geantwoord. Hij heeft in zijn rapport uiteengezet dat volgens hem voor appellant aanvullende beperkingen moeten worden aangenomen op item 2.8 “omgaan met conflicten” en item 6.2 “uren per dag”.

2.3.

Van de door de rechtbank geboden gelegenheid om op het rapport van Van Eck te reageren hebben zowel appellant als het Uwv gebruik gemaakt. De reactie van appellant van
7 januari 2014 bevat geen kritiek op de bevindingen en conclusies van Van Eck. In zijn brief van 27 januari 2014 heeft appellant betoogd dat het oordeel van Van Eck door de rechtbank moet worden gevolgd, omdat in het rapport op inzichtelijke wijze is uiteengezet waarom door de deskundige verdergaande beperkingen zijn aangenomen dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld. De rechtbank heeft in de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 januari 2014 op het rapport van Van Eck aanleiding gezien deze reactie voor nader commentaar aan de deskundige voor te leggen. Van Eck heeft met een brief van
21 februari 2014 nader toegelicht waarom hij een urenbeperking noodzakelijk acht. Met een brief van 18 maart 2014 heeft appellant de opvatting van Van Eck onderschreven.

2.4.

Met een door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 24 maart 2014 aangepaste FML is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek verricht naar geschiktheid van de functies die bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant zijn gebruikt. In zijn rapport van 25 maart 2014, dat is meeondertekend door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uiteengezet dat de eerder geselecteerde functies in verband met de inmiddels aangenomen urenbeperking niet langer geschikt zijn, maar dat een selectie van wel voor appellant geschikte functies ook tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% leidt.

2.5.

Bij brief van 23 maart 2015 heeft appellant aan de rechtbank laten weten dat volgens hem de deskundige wellicht ten onrechte geen beperkingen heeft aangenomen op een aantal door hem in deze brief genoemde items van de FML.

2.6.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat dit besluit, gelet op de in beroep gewijzigde FML, een deugdelijke motivering mist. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Het door de deskundige uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft in het rapport en de aanvulling daarop aan de hand van de onderzoeksbevindingen, de gegevens van de behandelend sector en ook het rapport van psychiater Weeda gemotiveerd uiteengezet het niet aannemelijk te achten dat eiser (CRvB: nu appellant) ten tijde in geding afgaande op de psychische problematiek meer beperkt is dan door hem (aanvullend) is aangenomen. Gelet op het geheel aan onderzoeksbevindingen is in het door eiser op
23 maart 2015 geleverde commentaar onvoldoende reden gelegen om de conclusie van de deskundige niet te volgen. Daarbij is van belang dat de door eiser ingeschakelde psychiater Weeda na haar onderzoek aanleiding zag om de aandacht en concentratie ongestoord te achten. Eiser heeft ter zitting op 22 april 2015 aangevoerd dat zijn handelingstempo aanmerkelijk vertraagd is. De deskundige heeft dit item bij zijn beoordeling betrokken en daarbij overwogen dat een aanmerkelijk vertraagd handelingstempo over het algemeen alleen voorkomt bij een ernstige stoornis. Iets vertraagd denken of handelen zoals door psychiater Weeda is vastgesteld is volgens de deskundige niet voldoende voor dit item. De rechtbank acht die motivering toereikend en ziet dan ook geen aanleiding om de deskundige nadere vragen te stellen zoals door eiser is verzocht.”

De rechtbank heeft verder overwogen dat het Uwv afdoende heeft gemotiveerd dat de na wijziging van de FML voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant geselecteerde functies voor hem geschikt zijn.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn. Appellant is van mening dat ten onrechte in de FML geen beperking is opgenomen in verband met zijn vertraagd handelingstempo en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte de beperking op item 2.12.4 heeft verwijderd. Hij heeft opnieuw betoogd dat zijn brief van 23 maart 2015 voor commentaar aan Van Eck moet worden voorgelegd. Volgens appellant is de deskundige zich bij het opstellen van zijn rapport onvoldoende ervan bewust geweest dat hij zich bij de beschrijving van (de ernst van) de beperkingen van appellant niet hoeft te richten naar wat daarover voor de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv is opgenomen in de “Basisinformatie CBBS”.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd. Met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2017 is nader toegelicht dat met de al vastgelegde beperkingen voor veelvuldige deadlines en productiepieken een aanvullende beperking op handelingstempo niet nodig is. Het Uwv heeft verder erop gewezen dat Van Eck het in zijn rapport eens is met de verwijdering van de beperking op item 2.12.4.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Deskundige Van Eck heeft in opdracht van de rechtbank een rapport uitgebracht dat door de rechtbank op goede gronden aan haar oordeel ten grondslag is gelegd. De Raad onderschrijft de in 2.6 aangehaalde overweging van de rechtbank. Van Eck heeft gemotiveerd geantwoord op de door de rechtbank gestelde vragen, waaronder de vraag of hij kan instemmen met de FML van 26 juli 2012 en zo nee, op welke onderdelen niet, waarom niet en wat naar zijn mening de belastbaarheid op die onderdelen is. Op deze vraag heeft Van Eck geantwoord dat hij na zijn onderzoek van appellant en bestudering van het medisch dossier geen psychiatrische redenen kan vinden om die FML te wijzigen, behalve voor het hanteren van conflicten en de urenbeperking.

4.2.

Van Eck heeft toegelicht dat er in alle psychiatrische onderzoeken die bij appellant zijn verricht en waarover is gerapporteerd in de stukken en bij zijn eigen onderzoek van appellant geen objectieve concentratieproblematiek is vastgesteld die ernstig genoeg is om als beperking in de FML in aanmerking te komen. Van Eck heeft beschreven dat hij bij zijn onderzoek van appellant geen cognitieve verstoringen heeft gevonden en dat het denken coherent van vorm is. Mede gezien zijn vaststelling dat appellant op de datum in geding leed aan een lichte-matige depressieve stoornis met enkele angstequivalenten is navolgbaar dat hij tot de conclusie komt dat de door psychiater Weeda in haar rapport beschreven mate van vertraging in denken (“het denken is iets traag van tempo maar volledig coherent”) niet de mogelijkheden van appellant om arbeid te verrichten beïnvloedt.

4.3.

Wat betreft het laten vervallen van de beperking van aangewezen zijn op werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is (items 2.12.4 van de FML) heeft Van Eck opgemerkt dat hij de daarvoor door de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoemde reden begrijpt. Hij is het met deze arts eens dat appellant contacten het liefst uit de weg gaat en dat er samenwerkingsproblemen kunnen zijn, maar volgens hem is het niet correct om contacten met collega’s geheel uit te bannen.

4.4.

Er is geen reden om, zoals appellant heeft gevraagd, de deskundige nog om een reactie op de brief van appellant van 23 maart 2015 te vragen. Wat appellant in die brief heeft aangevoerd komt neer op de veronderstelling, bij hem opgekomen nadat hij eerder de opvatting van de deskundige geheel leek te onderschrijven, dat de deskundige zich door de “Basisinformatie CBBS” gehinderd zou hebben gevoeld bij zijn beoordeling van mogelijkheden en beperkingen van appellant om te functioneren. De duidelijke bewoordingen waarin Van Eck zijn onderzoeksbevindingen heeft beschreven en deze vervolgens heeft geplaatst in het kader dat geldt voor het vastleggen van beperkingen in een FML geeft voor deze veronderstelling geen grond.

4.5.

Niet in geschil is dat de FML van 24 maart 2014 alle beperkingen bevat die volgens Van Eck voor appellant moesten worden vastgesteld. Met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 maart 2014 is inzichtelijk gemaakt dat appellant met de in die FML vastgelegde beperkingen in staat kan worden geacht om de functies van productiemedewerker industrie, inpakker en huishoudelijk medewerker te vervullen. Met de gegeven beschrijving van de werkomstandigheden is duidelijk dat in de functies van productiemedewerker industrie en inpakker geen sprake is van afleiding door activiteiten van anderen als bedoeld met de beperking op item 1.9.4 van de FML. In het arbeidskundig rapport van 13 januari 2017 is nog toegelicht dat in de functie van inpakker sprake is van een eigen afgebakende deeltaak, zodat de belasting op samenwerken binnen de voor appellant vastgestelde mogelijkheden valt.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Bij deze uitkomt is er geen plaats voor toekenning van schadevergoeding zoals appellant heeft gevraagd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.W. Akkerman en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.W.L. van der Loo

HD