Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
14/4270 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uwv is volledig tegemoet gekomen. Verzocht is om een integrale proceskostenvergoeding. Gelet op toelichting bij het besluit zijn er in het geval van appellant geen bijzondere omstandigheden aanwezig als bedoeld in het Besluit. Wel forfaitaire vergoeding kosten beroep en hoger beroep volgens de bijlage van het Besluit. Samenhangende zaken. Verletkosten niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4270 WW

Datum uitspraak: 8 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
20 juni 2014, 13/5856 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.L.G.J. Eikelboom hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek van de meervoudige kamer ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Eikelboom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. De zaken 14/4270 WW en 14/4271 WW zijn ter zitting gevoegd behandeld.

Ter zitting is afgesproken dat het Uwv op basis van de door appellant aan hem toe te sturen winst- en verliesrekeningen over 2010 en 2011 een nieuw besluit zal nemen. De Raad heeft het onderzoek geschorst.

Het Uwv heeft op 10 juni 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 14 juli 2016 heeft appellant te kennen gegeven dat het Uwv hem volledig tegemoet gekomen is. Gelijktijdig heeft appellant verzocht om een integrale proceskostenvergoeding.

Het Uwv heeft een reactie ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Hierna zijn de zaken gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Vastgesteld wordt dat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 10 juni 2016 alsnog volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellant vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard.

1.2.

Omdat het Uwv appellant na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken.

1.3.

Appellant heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Volgens appellant is er sprake van bijzondere omstandigheden die integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van een zodanige kennelijke fout aan de zijde van het Uwv dat een redelijk handelend bestuursorgaan het terugvorderingsbesluit niet genomen zou hebben. Appellant heeft gesteld dat er sprake is van een verwijt als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, BNB 2007/260. Door het in vergaande mate onzorgvuldig handelen van het Uwv heeft appellant nodeloos enkele jaren moeten procederen.

1.4.

Uitgangspunt van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Besluit is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Besluit vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Besluit berekende vergoeding
– zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke
kosten – kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatievoorziening door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

1.5.

Mede in het licht van deze toelichting zijn er in het geval van appellant geen bijzondere omstandigheden aanwezig als bedoeld in het Besluit. Het feit dat het Uwv in hoger beroep alsnog heeft geconcludeerd dat appellant met het gebruikmaken van de startersregeling WW onvoldoende geïnformeerd is door het Uwv over de financiële gevolgen van zijn keuze om een bv te beginnen, betreft geen omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. De stellingen van appellant vinden evenmin steun in het in 1.3 genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007. Niet is gebleken dat het Uwv kan worden verweten tot terugvordering te zijn overgegaan, terwijl op dat moment al duidelijk was dat het terugvorderingsbesluit in een daartegen door appellant ingestelde bezwaarprocedure geen stand zou houden. Dat het Uwv het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond heeft verklaard brengt niet mee dat het Uwv in een zodanig vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld dat dit aanleiding zou zijn voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding. Dit betekent dat appellant met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand een forfaitaire vergoeding toekomt volgens de bijlage van het Besluit.

1.6.

Nu het Uwv met inachtneming van het Besluit reeds de kosten in bezwaar heeft vergoed ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van rechtsbijstand worden vastgesteld op € 495,- in beroep en op € 495,- in hoger beroep. Daarbij is ermee rekening gehouden dat de zaak van appellant en de zaak 14/4271 WW, waarin gelijktijdig uitspraak wordt gedaan, zijn te beschouwen als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit en voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a worden beschouwd als één zaak. De reiskosten van appellant in beroep en hoger beroep worden begroot op in totaal € 50,-. De totale proceskostenveroordeling is
€ 1.040,00. Het verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen, omdat dit verzoek niet is onderbouwd met bewijsstukken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.040,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017.

(getekend) B.M. van Dun

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD