Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
16/3537 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens het niet betalen van het griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3537 WW

Datum uitspraak: 8 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

19 mei 2016, 15/4662 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn dochter, [dochter] , hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de rechtbank een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2016. Namens appellant is verschenen [dochter] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 14 juli 2015 heeft het Uwv de appellant eerder opgelegde boete van

€ 7.861,08 verlaagd naar € 3.940,-.

1.2.

Bij besluit van 30 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 juli 2015 gegrond verklaard en de boete (verder) verlaagd naar € 3.162,84.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet betalen van het verschuldigde griffierecht. De rechtbank heeft het beroep van appellant op betalingsonmacht verworpen. Op grond van de door appellant overgelegde stukken heeft de rechtbank geconcludeerd dat het inkomen van appellant in 2015 inderdaad, zoals door hem gesteld, lager was dan uit de door de Raad voor de rechtsbijstand afgegeven inkomensverklaring over het peiljaar 2014 blijkt, maar dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het netto-inkomen, waarover appellant en zijn echtgenote maandelijks konden beschikken op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de griffie LDCR moest zijn bijgeschreven, dan wel ter griffie moest zijn gestort, minder bedroeg dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. De rechtbank heeft het er daarom voor gehouden dat appellant op dat moment nog steeds over voldoende draagkracht beschikte om het griffierecht van € 45,- te voldoen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat het gezien zijn financiële situatie moeilijk is het verschuldigde griffierecht te betalen, omdat hij na aftrek van alle vaste lasten maandelijks slechts € 150,- overhoudt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en erop gewezen dat appellant vanaf november 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangt van ongeveer € 300,- netto per week.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om de vraag of de rechtbank terecht het beroep van appellant

niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. In het bijzonder gaat het om de vraag of de rechtbank terecht het beroep op betalingsonmacht niet heeft gehonoreerd.

4.2.

In de uitspraken van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282; ECLI:NL:CRVB:2015:283 en ECLI:NL:CRVB:2015:284) heeft de Raad criteria genoemd voor vrijstelling van griffierecht. Uit deze uitspraken volgt dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het volgens de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor een rechtzoekende onmogelijk, of uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang.

4.3.

Van deze situatie zal sprake zijn bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijk persoon, die aannemelijk maakt dat – op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort – het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en verder dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. De (maximale) bijstandsnorm voor een alleenstaande bedroeg per 1 juli 2015

€ 962,63 en per 1 januari 2016 € 972,70. Dit betekent dat, wil rechtzoekende in aanmerking komen voor de in 4.2 bedoelde vrijstelling van griffierecht, het maandelijkse netto-inkomen van de rechtzoekende minder moet bedragen dan per 1 juli 2015 € 866,37 en per

1 januari 2016 € 875,43.

4.4.

De periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld, vangt aan nadat de griffier de indiener van het (hoger)beroepschrift voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort. In het geval van appellant betekent dit dat de hoogte van het inkomen en het vermogen wordt beoordeeld over de periode van 1 december 2015 tot 29 maart 2016.

4.5.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het netto-inkomen waarover appellant en zijn echtgenote maandelijks kunnen beschikken op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van de griffie LDCR moest zijn bijgeschreven, dan wel ter griffie moest zijn gestort, minder bedroeg dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. Het Uwv heeft er in zijn verweerschrift terecht op gewezen dat appellant sinds 16 november 2015 een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet (ZW) van – netto – ongeveer € 300,- per week. Appellant heeft deze ZW-uitkering ook gedurende de in 4.4 vermelde periode ontvangen. Dit betekent dat appellant niet voldoet aan de criteria voor vrijstelling van griffierecht.

4.6.

De omstandigheid dat appellant ten tijde hier van belang, na aftrek van alle vaste lasten, een bedrag van ongeveer € 150,- per maand overhield, leidt niet tot een ander oordeel.

4.7.

De conclusie is dat de rechtbank het beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2017.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) G.J. van Gendt

TM