Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:92

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
14/5131 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat CIZ het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld door onderzoek te laten doen naar een mogelijke psychiatrische aandoening van appellant en de beperkingen in zijn functioneren ten gevolge daarvan. In het nieuwe besluit en het medisch rapport dat hieraan ten grondslag ligt, is genoegzaam gemotiveerd dat appellant in aanmerking komt voor begeleiding groep en – ook na de bij bestreden besluit 2 gehanteerde einddatum van 3 december 2013 – voor begeleiding individueel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5131 AWBZ, 16/5217 AWBZ

Datum uitspraak: 4 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
26 augustus 2014, 13/2929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1563, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft CIZ op
3 augustus 2016 een nieuw besluit genomen.

Bij brieven van 5 augustus 2016, 6 september 2016 en 16 september 2016 is namens appellant gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

1.1.

De Raad heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het, ook als de betrokkene (nog) geen behandelaar heeft en een (definitieve) diagnose (nog) niet is gesteld, tot de onderzoeksplicht van CIZ behoort om na te gaan of er bij appellant beperkingen zijn ten gevolge van een aandoening als daarvoor aanwijzingen bestaan. Indien noodzakelijk kan CIZ in dat geval een gespecialiseerd medicus benaderen om de grondslag te bepalen. Omdat een (volledig) onderzoek naar de omvang van de beperkingen van appellant achterwege was gebleven en het standpunt van CIZ daardoor onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en gemotiveerd, heeft de Raad CIZ opgedragen het gebrek te herstellen.

1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft CIZ kinder- en jeugdpsychiater
dr. P.J.L. Collin verzocht nader onderzoek te doen naar de mogelijk psychiatrische problematiek en/of de verstandelijke handicap en de daaruit voortkomende beperkingen in het functioneren van appellant. De resultaten van het onderzoek door Collin zijn neergelegd in zijn rapport van 18 juli 2016. Collin heeft in zijn rapport geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een ontwikkelingsstoornis, behoudens de verstandelijke beperking, en ook niet voor een psychiatrische stoornis in engere zin. De mate van ernst van de verstandelijke beperking is door Collin vastgesteld op licht tot matig. De beperkingen van appellant, waaronder zijn zeer trage informatieverwerking, zijn volgens Collin volledig te verklaren vanuit zijn specifieke cognitieve beperkingen. Op psychiatrisch, psychologisch of psychosociaal gebied zijn volgens Collin geen behandelingen geïndiceerd. Collin heeft geconcludeerd dat de dagbesteding van appellant, zoals die sinds augustus 2015 vorm heeft gekregen via zorgbureau Talent en meer in het bijzonder restaurant [restaurant] , goed is afgestemd op de noden van appellant. Ten slotte acht Collin het van belang dat de begeleiding in de thuissituatie op dezelfde wijze plaatsvindt als de begeleiding bij [restaurant] .

2. CIZ heeft naar aanleiding van het rapport van Collin bij besluit van 3 augustus 2016 het besluit van 17 juni 2014 (bestreden besluit 2) ingetrokken en appellant een indicatie verleend voor de functie begeleiding individueel, klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week), van 29 april 2013 tot en met 28 april 2028 en voor de functie begeleiding groep, klasse 9 (9 dagdelen per week), van 18 maart 2014 tot en met 17 maart 2029.

3. Appellant heeft in reactie op het nadere besluit van 3 augustus 2016 gesteld dat dit niet volledig aan zijn wensen tegemoet komt. Appellant heeft dit desgevraagd nader toegelicht door te verwijzen naar zijn voor de zitting van 28 oktober 2015 opgestelde pleitnota en verzocht de bestreden besluiten te vernietigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 3 augustus 2016 wordt, nu daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken.

De aangevallen uitspraak

4.2.

De Raad komt op grond van wat in de tussenuitspraak is overwogen tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard, vernietigd moet worden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 2 vernietigen wegens strijd met artikel 6 van het Zorgindicatiebesluit en de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Het besluit van 3 augustus 2016

4.3.

De Raad is van oordeel dat CIZ het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld door onderzoek te laten doen naar een mogelijke psychiatrische aandoening van appellant en de beperkingen in zijn functioneren ten gevolge daarvan. In het nieuwe besluit en het medisch rapport dat hieraan ten grondslag ligt, is genoegzaam gemotiveerd dat appellant in aanmerking komt voor begeleiding groep en – ook na de bij bestreden besluit 2 gehanteerde einddatum van 3 december 2013 – voor begeleiding individueel.

4.4.

De door appellant daartegen aangevoerde gronden treffen geen doel. Geconstateerd moet worden dat wat appellant aan onderzoek heeft gevorderd in zijn pleitnota van
28 oktober 2015 met het besluit van 3 augustus 2016 heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat wat appellant heeft aangevoerd over de ingangsdatum van de functie begeleiding groep voor hem nog feitelijke gevolgen kan hebben. Appellant is immers pas na de ingangsdatum hiervan met begeleiding groep begonnen en heeft desgevraagd ook zelf niet aangegeven wat hij met deze grond nog zou kunnen bereiken. Deze grond hoeft daarom geen verdere bespreking. Het beroep tegen het nieuwe besluit zal daarom ongegrond worden verklaard.

5. De Raad kan het verzoek van appellant om schadevergoeding inclusief de wettelijke vertragingsrente niet toewijzen. Appellant heeft zich met het indicatiebesluit van
3 augustus 2016 tot het Zorgkantoor in zijn regio gewend om de kosten van de na
3 december 2013 geïndiceerde zorg op basis van een pgb vergoed te krijgen. Vooralsnog is echter niet gebleken dat het Zorgkantoor deze kosten niet of niet volledig aan appellant wil vergoeden, zodat op dit moment over (de omvang van) de door appellant gestelde schade geen oordeel kan worden gegeven. Appellant kan zich zo nodig met een verzoek om schadevergoeding tot CIZ wenden als het Zorgkantoor over het pgb heeft beslist.

6. Aanleiding bestaat CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 990, - in beroep en € 1.227,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 86,80 aan reiskosten in hoger beroep voor appellant en zijn begeleider, in totaal €2.314,30.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juni 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2016 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt CIZ tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.314,30;

  • -

    bepaalt dat CIZ aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) P. Boer

SS