Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:916

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
14/2332 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en afwijzing aanvraag. Schending inlichtingenplicht. Op geld waardeerbare werkzaamheden in café verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2332 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 maart 2014, 13/8442 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Venneman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 15/2243 WWB en 16/2830 WWB plaatsgevonden op 13 december 2016. Namens appellant is verschenen mr. Venneman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos. In de zaken 15/2243 WWB en 16/2830 WWB is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met onderbrekingen sinds 31 januari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een horecacontrole waarbij appellant in het café [naam café] (café) is aangetroffen terwijl hij bier aan het tappen was, heeft het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand laten instellen. In dat kader zijn diverse waarnemingen verricht en hebben twee medewerkers van de afdeling bijzonder onderzoek van de Dienst SZW op 5 april 2013 met appellant een zogeheten confrontatiegesprek gevoerd. Van dat gesprek is een door appellant ondertekend verslag opgemaakt. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 8 april 2013 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2013 beëindigd [lees: ingetrokken]. Bij besluit van 16 april 2013 (besluit 2) heeft het college voorts de bijstand van appellant over de periode van 5 oktober 2012 tot en met 28 februari 2013 herzien [lees: ingetrokken] en de gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 4.001,92. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant - zonder daarvan melding te maken - op geld waardeerbare werkzaamheden in het café heeft verricht.

1.3.

Op 11 april 2013 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 24 mei 2013 (besluit 3) heeft het college deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant na besluit 1 geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere beslissing rechtvaardigen.

1.4.

Op 10 juni 2013 is appellant verhoord door twee sociaal rechercheurs met het oog op strafrechtelijke vervolging. Van dit verhoor is proces-verbaal opgemaakt, dat per bladzijde door appellant is ondertekend.

1.5.

Bij besluit van 16 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant over de voorliggende periode niet is vast te stellen, zodat ten onrechte bijstand is verleend, en voorts dat appellant niet onderbouwd heeft gesteld dat de situatie vanaf 11 april 2013 is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van besluit 1.

1.6.

Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college appellant uiteindelijk met ingang van

30 mei 2013 opnieuw algemene bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat appellant werkzaamheden in het café heeft verricht. Nu appellant echter blijft ontkennen op geld waardeerbare arbeid te hebben verricht, is terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen, zodat de bijstand terecht is ingetrokken en teruggevorderd. Ten aanzien van de nieuwe aanvraag van 11 april 2013 heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het college ten onrechte artikel 4:6 van de Awb aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het naar vaste rechtspraak van de Raad in situaties als deze, waarin de bijstand is ingetrokken en nadien een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum is gedaan, op de weg van de aanvrager ligt om onderbouwd aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Nu appellant dergelijke omstandigheden niet heeft aangedragen en zijn stelling dat hij niet meer in het café werkt ook niet nader heeft onderbouwd, wordt geoordeeld dat appellant niet heeft aangetoond dat zich een relevante wijziging in zijn omstandigheden heeft voorgedaan.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat, anders dan appellant meent, een toereikende grondslag bestaat voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode van 5 oktober 2012 tot en met 8 april 2013 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in het café. Daarbij is terecht doorslaggevende betekenis gehecht aan de verklaringen van appellant zoals neergelegd in het gespreksverslag van 5 april 2013 en het proces-verbaal van 10 juni 2013. In deze verklaringen komt duidelijk naar voren dat appellant dagelijks tijdens de openingsuren van het café in de zaak aanwezig was, dat hij daar allerlei zich voordoende werkzaamheden verrichtte, dat hij bij de ingang van het café als contactpersoon met telefoonnummer stond vermeld, dat hij een sleutel van de zaak had en dat hij daar gratis kon drinken en broodjes kon eten. Deze verklaringen vinden bovendien steun in de diverse waarnemingen die in oktober 2012, december 2012, januari en februari 2013 zijn gedaan. De enkele, later in het geding gebrachte en op 10 juni 2013 gedateerde verklaring van de eigenaar van het café “dat appellant voor het café geen op geld waardeerbare werkzaamheden verricht” kan hier niet aan afdoen, reeds omdat deze verklaring niet ziet op de hier voorliggende periode.

Afwijzing aanvraag 11 april 2016

4.2.1.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6002) ligt het, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in een geval waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beëindiging of intrekking van de bijstand of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sinds die beëindiging, intrekking of afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat inmiddels wel wordt voldaan aan de vereisten om voor algemene of bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Er bestaat geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.

4.2.2.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 11 april 2013 tot en met 24 mei 2013.

4.2.3.

Appellant heeft als gewijzigde omstandigheid aanvankelijk gesteld dat hij vanaf de datum van deze aanvraag niet meer in het café kwam. Later heeft hij deze stelling genuanceerd in die zin dat hij nog wel in het café kwam maar geen werkzaamheden en/of hand- en spandiensten meer verrichtte.

4.2.4.

Wat appellant heeft aangevoerd vormt geen relevante wijziging van omstandigheden als in 4.1 omschreven. Allereerst heeft appellant, blijkens het op 10 juni 2013 opgemaakte proces-verbaal (zie hiervoor onder 1.5), nog een belastende verklaring met betrekking tot zijn werkzaamheden in het café afgelegd, waarbij geen onderscheid is gemaakt in de periode vóór en na 11 april 2013. Voorts heeft appellant weliswaar een op 10 juni 2013 gedateerde verklaring van de eigenaar van het café overgelegd, maar deze verklaring, inhoudende “dat appellant geen op geld waardeerbare werkzaamheden voor het café verricht”, ziet niet op de hier te beoordelen periode. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat door het ontbreken van objectieve en verifieerbare gegevens niet is vast te stellen of appellant in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en terecht heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. Smolders

HD