Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:91

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
14/4646 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4646 WWAJ

Datum uitspraak: 13 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 juli 2014, 12/7019 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y.T. Latour, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 november 2015 heeft appellante nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 8 januari 2016 heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 januari 2016, met bijlagen ingediend.

Bij brief van 6 april 2016 heeft appellante op deze nadere stukken van het Uwv gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W. Anker, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Bij brief van 12 juli 2016 heeft de Raad vragen gesteld aan het Uwv. Voor de beantwoording van deze vragen heeft het Uwv verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juli 2016.

Appellante heeft hierop gereageerd bij brief van 12 september 2016.

Het Uwv heeft daarop gereageerd met indiening van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2016.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding relevante feiten en omstandigheden. Appellante is op [in] 1985 geboren. Zij heeft al vanaf haar kindertijd last van krampen in benen en klachten in de handen. De reumatoloog heeft in 2009 geconcludeerd dat bij appellante sprake was van diffuse tendomyogene klachten ter hoogte van voornamelijk knieën, heupen en ellebogen. De revalidatiearts heeft in 2009 de diagnose chronisch pijnsyndroom bij hypermobiliteit gesteld. Appellante is na afronding van de MAVO en MBO-SPW-niveau 3 werkzaam geweest in de kinderopvang. Vervolgens heeft zij in deeltijd gewerkt in de thuiszorg. Voor dat werk is zij op 29 juli 2009 uitgevallen met pijnklachten. Zij heeft daarna nog voor 9 uur per week hervat en deels een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen in verband met revalidatie.

1.2. Op 14 oktober 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante onderzocht en mede op grond van de informatie van de revalidatiearts van 9 november 2009 vastgesteld dat appellante na de afronding van haar studie heeft gewerkt in regulier werk en duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 10 november 2010. De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 januari 2011. In deze FML zijn beperkingen weergegeven wat betreft het persoonlijk functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidsdeskundige heeft in een rapport van 18 januari 2011 vastgesteld dat het werk in de thuiszorg niet bij de belastbaarheid van appellante past en zij licht fysiek werk wellicht langer dan 9 uur per week zal kunnen volhouden. Na selectie van een aantal voor appellante geschikt geachte functies is gebleken dat zij daarmee meer dan 75% van het maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van

18 januari 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij 52 weken onafgebroken, minder dan 100% van het minimum(jeugd)loon kan verdienen en om die reden niet voor een uitkering op grond van de Wajong in aanmerking komt.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 januari 2011 en daarbij aangevoerd dat zij vanaf haar kinderjaren al last heeft gehad van chronische pijnklachten en vermoeidheid en dat de diagnose chronisch pijnsyndroom bij hypermobiliteit eerst in

januari 2009 is gesteld. Zij stelt dat door allerlei blessures haar mogelijkheden om te werken steeds minder zijn geworden en zij zelfs langer dan 52 weken achtereen niet fulltime heeft kunnen werken. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met de diagnose ADHD die zorgt voor continue spanning tussen belasting en belastbaarheid.

1.4. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en appellante tijdens de hoorzitting gesproken. Op grond van de beschikbare specialistische informatie uit 2009 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in een rapport van 29 april 2011 vastgesteld dat het hier gaat om een retrospectieve bepaling van de belastbaarheid die onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter draagt. Uitgaande van de datum in geding, [in] 2003, is geen reden voor het stellen van een urenbeperking buiten de reeds gestelde beperkingen. De door de primaire verzekeringsarts aangenomen beperkingen wat betreft fysiek zware arbeid leiden ertoe dat appellante niet overbelast wordt. Omdat de primaire verzekeringsarts de diagnose ADHD niet bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante heeft betrokken, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast en een aantal extra beperkingen daarin vastgelegd. De beperking wat betreft hoog handelingstempo is geschrapt.

1.5. Op grond van deze FML van 29 april 2011 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 21 juni 2011 vastgesteld dat op basis van een nieuwe functieselectie de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onverminderd minder dan 25% is.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellante met verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongegrond verklaard.

2.1. Nadat appellante beroep had ingesteld tegen het besluit van 23 juni 2011 heeft de rechtbank Breda bij tussenuitspraak van 5 maart 2012 (11/3958) vastgesteld dat de in geding zijnde aanvraag van appellante is ingediend in oktober 2010. Omdat de Wet Wajong met ingang van 1 januari 2010 in werking is getreden en van toepassing is op aanvragen die zijn ingediend op of na 1 januari 2010, is op de aanvraag van appellante de Wet Wajong van toepassing. Omdat het Uwv de aanvraag van appellante heeft beoordeeld met toepassing van de artikelen 2 en 6 van de tot 1 januari 2010 geldende Wet Wajong berust het besluit van

23 juni 2011 niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Vervolgens heeft het Uwv gereageerd bij brieven van 16 maart 2012 en 7 mei 2012. Daarin wordt gesteld dat het juiste juridische kader wordt gevormd door de artikelen 2:3 en 2:15 van de Wet Wajong. Bij de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van appellante zijn de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep echter terecht uitgegaan van de situatie van begin 2011. De conclusie van het Uwv blijft dat appellante in staat wordt geacht in passende functies 100% van het wettelijk minimumloon te verdienen.

2.2. Bij uitspraak van 20 augustus 2012 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit 23 juni 2011 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslist over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het rapport van 29 april 2011 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar voren komt dat slechts de situatie van appellante op 13 april 2003 is beoordeeld, terwijl uit haar rapport van 21 juni 2011 naar voren komt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is uitgegaan van de beoordelingsdatum

8 februari 2011 (16 weken na datum aanvraag). Daarom berust de afwijzing van de aanvraag van appellante op een ondeugdelijke motivering.

2.3. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 12 oktober 2012 te kennen gegeven, dat zij, zoals ook blijkt uit de aanpassing van de FML in verband met de later (dan 2003) ontstane ADHD, wel de situatie 16 weken na datum aanvraag (begin 2011) heeft herbeoordeeld. Daarbij heeft zij te kennen gegeven dat de FML is gebaseerd op de informatie van de reumatoloog van 9 november 2009 en dat appellante heeft gesteld dat haar klachten de laatste jaren zijn toegenomen. Hieruit volgt dat de situatie van begin 2011, waarbij appellante heeft gesteld meer klachten te hebben dan op haar 18e jaar is herbeoordeeld, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2.4. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 oktober 2012 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 juni 2011, de afwijzing van de aanvraag van appellante om een Wajong-uitkering gehandhaafd.

2.5. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante, onder verwijzing naar een brief van 19 augustus 2011 van de klinisch geneticus dr. C.J.A.M. van der Burgt, aangevoerd dat zij als gevolg van de diagnose Ehlers Danlos syndroom (EDS) type 3 dan wel EDS hypermobiliteitstype doorlopend oververmoeid is, pijn heeft en niet in staat is werkzaamheden passend bij de geselecteerde functies uit te voeren. Het Uwv heeft met de gestelde diagnose en met de beperkingen die daardoor zijn ontstaan geen rekening gehouden. Het Uwv heeft bij wijze van verweer erop gewezen dat de brief van de klinisch geneticus evenals de brief van de reumatoloog F.M.A. Slaats van 15 februari 2012, reeds bij de eerdere beroepsprocedure is beoordeeld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zegt deze informatie niet anders dan dat het hypermobiliteitssyndroom nu een wat specifiekere naam heeft. Met de daaruit voortvloeiende beperkingen is in de FML in voldoende mate rekening gehouden

2.6. In haar tussenuitspraak van 18 september 2013 heeft de rechtbank

Zeeland-West-Brabant overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de datum in geding ligt in februari 2011. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de door appellante toegezonden informatie over EDS naar voren komt dat huidproblemen horen bij deze ziekte en dat het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is gemotiveerd. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet toegelicht dat EDS vanuit medisch oogpunt gelijk is te stellen aan het hypermobiliteitssyndroom in combinatie met een chronisch pijnsyndroom. Het Uwv is in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.7. In zijn rapport van 7 oktober 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, met citering van passages uit een digitale medische databank (Uptodate) en onder verwijzing naar de brief van de klinisch geneticus dr. Van der Burgt van 19 augustus 2011 en de brief van reumatoloog Slaats van 15 februari 2012, de volgende conclusies getrokken:

“- Er ontbreken aanwijzingen dat er bij mw. Knoop iets anders aan de hand is dan: “diffuse tendomyogene klachten bij hypermobiliteit diverse gewrichten, forse torsiescoliose wervelkolom lumbaal convex naar links bij bekkenscheefstand t.n.v. links (brief F.M.A. Slaats, reumatoloog d.d 15-02-2012)”, een en ander gediagnosticeerd als Ehler-Danlos-syndroom (EDS) type 3 of hypermobiliteitssyndroom,

- Voor belemmerende huidproblemen zijn geen aanwijzingen, hetgeen past bij typering, aard en ernst van gediagnosticeerde aandoening zoals deze bij mr. Knoop aanwezig is.”

De verzekeringsarts overweegt verder dat ten onrechte wordt aangenomen dat EDS en hypermobiliteit syndroom verschillende ziektebeelden zijn. Voor een dergelijk standpunt kan geen onderbouwing worden gevonden in de literatuur en diagnostiek. Voor twijfel aan de juiste diagnose bij appellante is geen reden. Voor zover er eventueel huidproblemen zijn bij deze diagnose (niet bij andere vormen van EDS) zijn deze bij appellante vooral van theoretische aard, gelet op de herhaalde beschrijvingen van lichamelijk onderzoek. Een bijstelling van de FML is niet noodzakelijk volgens deze verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2.8. Naar aanleiding van de reactie van appellante op het rapport van 14 oktober 2013 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hij in een rapport van 13 maart 2014 herhaald dat als uitgangspunt de diagnose EDS type 3 is aangenomen, zoals door klinisch geneticus Van der Burgt in de brief van 19 augustus 2011 is vermeld, en dat met het aandragen van relevante medische literatuur is geïllustreerd dat er verschillende achtergronden zijn van het fenomeen “overstrekbaarheid van de gewrichten”, met een specifieke type aanduiding en eigen uitingen van desbetreffende ziektebeeld. Bevindingen van huidonderzoek (bij de verzekeringsarts en de reumatoloog) zijn in overeenstemming met wat daarover in de literatuur wordt vermeld. Het perkamentachtige litteken op de linker knie noch de soepele, rekbare huid geeft aanleiding tot het opnemen van extra beperkingen in de FML. Voor nadere uitingen van betrokkenheid van de huid ontbreken volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwijzingen in het dossier van appellante.

2.9. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven over vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Uit de nadere informatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de rechtbank de conclusie getrokken dat bij appellante ten tijde van de datum in geding geen sprake is geweest van huidklachten, al dan niet ten gevolge van EDS. Voorts is uit die nadere informatie gebleken dat hypermobiliteitssyndroom en EDS geen verschillende ziektebeelden zijn. Hiervan uitgaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd dat de beperkingen van appellante, rekening houdend met de diagnose hypermobiliteit syndroom en de chronische pijnklachten, juist zijn vastgesteld. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zij wegens huidklachten in februari 2011 meer beperkt was dan uiteindelijk door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Verder heeft de rechtbank erop gewezen dat de diagnose niet doorslaggevend is bij de vaststelling van de beperkingen tot het verrichten van arbeid. Aldus uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank de voor het bestreden besluit geselecteerde functies in medisch opzicht passend geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor

arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong.

3.1. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de beslissing van de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Appellante heeft opnieuw aangevoerd dat naar haar mening EDS een op zichzelf staande ziekte is en gepaard gaat met chronische vermoeidheid en pijn. Daarnaast heeft zij als gevolg van EDS te kampen met huidproblemen die ook ten tijde van de datum in geding aanwezig zijn geweest. Zij meent dat het Uwv haar beperkingen onjuist heeft vastgesteld.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, bepleit, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep van 12 oktober 2012, 7 oktober 2013 en 13 maart 2014 en het bij de rechtbank ingediende verweerschrift van 10 juni 2013.

3.3. Bij brief van 20 november 2015 heeft appellante nadere stukken in het geding gebracht.

3.4. Bij brief van 8 januari 2016 heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 januari 2016, met bijlagen, waaronder een FML van 14 december 2015, ingediend.

3.5. Bij brief van 6 april 2016 heeft appellante op deze nadere stukken van het Uwv gereageerd.

3.6. Na de zitting van 10 juni 2016 is het onderzoek heropend.

3.7. Bij brief van 12 juli 2016 zijn aan het Uwv nadere vragen gesteld.

3.7.1. Deze brief luidt als volgt:

“Naar aanleiding van het hoger beroep van [Appellant] en onder verwijzing naar het onderzoek ter zitting van de Raad van 10 juni 2016 vraag ik uw aandacht voor het navolgende.

Door het dossier spelen nog steeds twee kernpunten: 1) de kwestie van de ten aanzien van appellante gestelde diagnose(s) en 2) de huidproblemen van appellante.

In een brief van 19 augustus 2011 (gedingstuk B28.4) heeft de klinisch geneticus dr. Van der Burgt te kennen gegeven dat haar onderzoeksbevindingen passen “binnen de diagnose Ehlers Danlos syndroom type 3 dan wel Ehlers Danlos syndroom hypermobiliteitstype”.

In haar tussenuitspraak van 18 september 2013 heeft de rechtbank overwogen dat uit de door appellante overgelegde informatiebrochure over EDS volgt dat huidproblemen horen bij de ziekte EDS. Tevens overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 12 oktober 2012 (gedingstuk B25.1) in ieder geval niet heet toegelicht dat EDS vanuit medisch oogpunt gelijk is te stellen aan het hypermobiliteitssyndroom in combinatie met een chronisch pijnsyndroom.

In een daarop volgend rapport van 7 oktober 2013 (gedingstuk A 19) schrijft verzekeringsarts bezwaar en beroep Lechner (onder 6) dat ten onrechte wordt aangenomen dat EDS en hypermobiliteitsyndroom verschillende ziektebeelden zijn. Voor een dergelijk standpunt kan geen onderbouwing gevonden worden in de literatuur en diagnostiek. Er is geen reden voor twijfel aan de juiste diagnose bij betrokkene. Voor zover er eventueel huidperikelen zijn bij deze diagnose (niet bij andere vormen van EDS) zijn deze bij appellante toch vooral van theoretische aard, gelet op de herhaalde beschrijvingen van lichamelijk onderzoek.

In het rapport van 13 maart 2014 (gedingstuk A31) herhaalt Lechner dat over de diagnose geen discussie bestaat en dat noch het perkamentachtig litteken op de linker knie noch de soepele, rekbare huid aanleiding geeft tot het aannemen van extra beperkingen in het belastbaarheidspatroon.

Begrijp ik u goed dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zo moet worden begrepen dat uit het schrijven van de klinisch geneticus naar voren komt dat de daarin gestelde bevinding/conclusie “passend binnen de diagnose Ehlers Danlos syndroom type 3 dan wel Ehlers Danlos syndroom hypermobiliteitstype” op een en dezelfde lijn dient te worden gesteld met de diagnose “Hypermobility (EDS type III)” (zie Uptodate) en het in de “Informatie voor de huisarts over het EDS” (door appellante in beroep overgelegd, stuk A 16.1) hypermobiliteitstype (Villefranche-criteria, 1998), (dan wel) volgens de Berlijn-criteria (1988): type III: hypermobiele type?

Kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toelichten waarom in verband met de (mogelijke) huidproblemen van appellante het aannemen van een (preventieve) beperking niet is aangewezen, bijvoorbeeld het dragen van beschermende handschoenen. Ter zitting heeft appellante er op gewezen dat zij al diverse verwondingen aan haar huid/hand heeft opgelopen. Ook uit de overigens beschikbare informatie komt naar voren dat (angst voor) huidbeschadiging betrokken kan hinderen.

In het rapport van 29 april 2011 (gedingstuk B20.1) schrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat conform de huidige inzichten patiënten met hypermobiliteit en/of een chronisch pijnsyndroom zoveel mogelijk geactiveerd dienen te worden. Het aannemen van een urenbeperking zou zeker leiden tot verdere operante conditionering en het versterken van het vermijdende gedragspatroon. Verder wordt gewezen op de mogelijke antirevaliderende werking van een urenbeperking.

Graag verneem ik een nadere toelichting op deze passage. Op welke inzichten doelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep? Gelden deze ook onverkort voor appellante, gelet op haar multipele problematiek en de ten aanzien van haar gestelde diagnosen?”

3.7.2. Ter beantwoording van deze brief heeft het Uwv een rapport ingediend van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juli 2016. Daarin is het volgende overwogen:

“Algemeen:

Zoals de ‘informatie voor de huisarts over het EDS’ duidelijk vermeld staat is EDS een

verzamelnaam voor een heterogene groep van zeldzame bindweefselaandoeningen. De symptomen kunnen tussen patiënten zeer verschillend van aard en ernst zijn.

De ernst van de klachten is afhankelijk van de type EDS.

Bij EDS type III gaat het om een benigne (=niet ernstige) aandoening terwijl b.v. type IV en VI ernstige ziektes zijn.

Ten aanzien van de geclaimde huidproblemen.

Bij cliënt is de diagnose Ehlers-Danlos gesteld, type III (=type: hypermobiliteit). EDS type III is hetzelfde als hypermobiliteitssyndroom.

De diagnose wordt gesteld uitsluitend op de anamnese en klinisch onderzoek. De diagnose wordt gesteld als een patiënt voldoet aan tenminste 3 van de volgende 5 kenmerken:

- Handen plat op de grond bij vooroverbukken,

- Minstens 15 graden passieve hyperextensie van de knieën,

- Minstens 10 graden hyperextensie van ellebogen,

- 90 graden passieve dorsaalflexie van metacarpofanlangeaal pinkgewricht,

- abductie van duim naar de onderarm.

De diagnose wordt dus niet gesteld op basis van huidproblemen.

De diagnose EDS type III kan niet gesteld worden d.m.v. genetisch onderzoek.

Ook in de “informatie voor de huisarts over EDS” staat niet vermeld dat er bij type III sprake is van huidproblemen.

De huid is wel overrekbaar e/o fluweelachtig maar er is geen sprake van nabloedingen, moeizame wondsluiting zoals bij Type IV, easy bruising zoals bij type I en VI. Hierdoor bestaat er geen medische noodzaak voor het aannemen van (preventieve) beperkingen zoals het dragen van handschoenen.

Ik wil er nogmaals op wijzen dat:

- Cliënt bij de reumatoloog (4-2-2009) niet heeft aangegeven huidproblemen te hebben. De reumatoloog vermeldt bij lichamelijk onderzoek geen huidafwijkingen.

- De klinisch geneticus (19-8-2011)vermeldt alleen een zachte en overrekbare huid en één

perkamentachtig litteken. Ten eerst gaat het maar om 1 litteken, cliënt zal in haar leven

vaker wondjes hebben gehad en deze zijn dus normaal genezen. De klinisch geneticus

vermeldt geen grote atrofische littekens (zoals b.v. gezien wordt bij type IV).

- De huisarts (5-7-20 11) geen huidproblemen.

- De reumatoloog (15-2-2012) vermeldt in zijn brief niet dat de huid van cliënt beschermd dient te worden.

- De revalidatiearts (9-11-2009) vermeldt geen huidproblemen en/of huidafwijkingen.
Cliënt had een glasverwonding opgelopen en blijkbaar was de wond normaal genezen
daar de revalidatiearts niet vermeldt dat er sprake was van een groot, atrofisch litteken
(de revalidatiearts zal hier zeker op gelet hebben gezien de diagnose). Als advies heeft
de revalidatiearts niet gegeven: huidbescherming.

- In haar aanvrage WJONG vermeldt cliënt geen huidproblemen.

- In haar persoonlijke vragenlijst vermeldt cliënt enige problemen te hebben met het
gebruik van de handen wegens pijn/kramp c.q. dus geen huidproblemen.

- Bij de primaire verzekeringsarts (10-11-2010) heeft cliënt niet aangeven huidproblemen
te hebben

- In haar bezwaarschrift (15-2-2011) en tijdens de hoorzitting vermeldt cliënt geen
huidproblemen.

- Cliënt werkte in de thuiszorg hetgeen blijkbaar geen huidproblemen veroorzaakte.

Bij EDS type III is geen sprake van meer kunnen oplopen van verwondingen t.o.v. een gezond persoon (b.v. geen sprake van een verhoogde kans op snijwonden, vallen).

Bij sommige EDS types is er sprake van een kwetsbare huid, slechte wondgenezing (b.v. type IV) maar bij Type III is hiervan geen sprake.

Gezien al deze bevindingen bestaat er medisch gezien geen reden voor het aannemen van een (preventieve) beperking zoals b.v. het dragen van handschoenen.

Ten aanzien van activeren:

Patiënten met ADHD zijn actieve patiënten. Mensen met ADHD functioneren goed in afwisselend werk, veelvuldige deadlines, hoog handelingstempo.

Hierdoor is het belangrijk dat cliënt actief blijft.

Bij EDS type III is sprake van bindweefselproblematiek. Hierdoor zijn de banden om de gewrichten te slap waardoor een patiënt met EDS type III de vingers b.v. veel verder kunnen strekken.

Als een patiënt met EDS type III goed traint zullen de spieren sterker worden, waardoor de spieren een deel van de functie van de gewrichtsbanden zullen overnemen. Hierdoor zal er minder kans bestaan op een luxatie van een gewricht.

De reumatoloog (4-2-2009) adviseerde ook spierversterkende oefeningen.

De revalidatiearts (9-11-2009) adviseerde opbouw van spiercorset.

Tijdens de hoorzitting gaf cliënt aan 3 x per week te sporten, dit is dus heel goed voor cliënt, haar spieren blijven dan sterk.

Bij EDS type III dient geen sprake te zijn van overbelasting hierdoor is cliënt ook beperkt in b.v. tillen/dragen, frequent reiken, lopen.

Ook langdurige statische belasting kan overbelasting veroorzaken waardoor cliënt o.a. beperkt wordt geacht in staan en zitten.

Verder vermeldt de behandelende sector dat er sprake van een chronisch pijnsyndroom.

Dit is geen diagnose, geeft alleen aan dat er sprake is van chronische pijnklachten.

Bij EDS type III worden vaak chronische pijnklachten gezien.

Ook bij chronische pijnklachten dient een patiënt geactiveerd te worden. Bij revalidatiecentra volgen patiënten met chronische pijnklachten een intensief multidisciplinair programma (b.v. ‘Pijn de baas’).

Door de pijnklachten doen patiënten weinig, het spiercorset neemt af waardoor de pijn toeneemt bij het doen van enige activiteiten. Patiënten raken zo in een vicieuze cirkel naar beneden. Bij een revalidatieprogramma wordt geprobeerd om deze vicieuze cirkel te doorbreken.

Samenvattend dient gesteld te worden dat cliënt actief dient te blijven.

Het aannemen van een urenbeperking zal mogelijke een antirevaliderende werking geven

(=toename van de klachten).”

3.8.

Bij brief van 12 september 2016 heeft appellante op de inhoud van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juli 2016 gereageerd. Kort samengevat, betwist appellante de juistheid van de overwegingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.9.

Met indiening van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

3 oktober 2016 heeft het Uwv gereageerd op het standpunt van appellante, zoals verwoord in haar brief van 12 september 2016.

3.9.1.

In dat rapport wordt onder meer het volgende overwogen:

“De gemachtigde geeft aan dat mijn stelling ten aanzien van de huidproblemen onjuist zijn maar de gemachtigde onderbouwd dit niet met medische gegevens.

Artsen hebben afgesproken dat de diagnose EDS type III wordt gesteld als een patiënt voldoet aan tenminste 3 van de volgende 5 kenmerken:

Handen plat op de grond bij vooroverbukken,

Minstens 15 graden passieve hyperextensie van de knieën,

Minstens 10 graden hyperextensie van ellebogen,

90 graden passieve dorsaalflexie van metacarpofanlangeaal pinkgewricht,

abductie van duim naar de onderarm.

Zoals ik reeds eerder heb aangegeven kunnen huidproblemen bij EDS type III voorkomen namelijk: overrekbaar e/o fluweelachtig. Bij EDS type III is geen sprake van nabloedingen, moeizame wondsluiting zoals bij Type IV, easy bruising zoals bij type I en VI.

Zie de bijlage van het artikel Informatie voor de huisarts over EDS. In de bijlage worden de klachten/problemen beschreven die voorkomen bij de verschillende types EDS (major en minor criteria).

De gemachtigde doet ook hier weer medische uitspraken zonder een onderbouwing van een arts.”

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst wordt vastgesteld dat de aanvraag van appellante dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 2 van de met ingang van 1 januari 2010 geldende Wet Wajong.

4.2.

In artikel 2:3, eerste lid, van de Wet Wajong is, voor zover voor dit geding relevant, bepaald dat als jonggehandicapte moet worden aangemerkt de ingezetene die aansluitend op zowel zijn 17e als 18e verjaardag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar zal herstellen, dan wel wanneer na de dag waarop hij zeventien jaar wordt zich de hier bedoelde situatie voordoet en hij in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling is ingetreden, ten minste zes maanden studerende was.

4.3.

Op grond van artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong wordt de beoordeling van wat iemand met arbeid kan verdienen, alsmede de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

4.4.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong heeft de jonggehandicapte op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 van deze wet, indien hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

4.5.

Op grond van artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op de dag dat aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid van artikel 2:15 wordt voldaan, doch niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag werd ingediend.

4.6.

De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv uiteindelijk vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals vastgelegd in de FML van 14 december 2015. In de in hoger beroep door het Uwv ingediende en onder 3.4, 3.7.2 en 3.9 aangehaalde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat met de FML van 14 december 2015 in voldoende mate tegemoet is gekomen aan de multipele medische problematiek van appellante. Tevens is afdoende uiteengezet dat er geen extra beperkingen wat betreft de zonlichtgevoeligheid hoeven te worden vastgesteld. Voorts is voldoende gemotiveerd dat er geen argumenten zijn voor een duurbeperking.

4.7.

Uitgaande van de in de FML van 14 december 2015 vastgelegde belastbaarheid van appellante wordt geoordeeld dat de uiteindelijk (zie het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 januari 2016) aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, behorend tot SBC-code 267040 (elektronica monteur), 111220 (medewerker intern transport en 315130 (archiefmedewerker, medewerker bibliotheek), de mogelijkheden van appellante niet te boven gaan.

4.8.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Omdat de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eerst in hoger beroep afdoende is gemotiveerd, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.240,- (beroepschrift, 1 punt, verschijnen zitting 1 punt, schriftelijke uiteenzetting, 0,5 punt) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en op € 19,12 aan door appellante gemaakte reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.259,12;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-
vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.J. van Gendt

IJ