Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
15/3560 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opkomen tegen de op een onderdeel van een beoordeling gegeven score door ambtenaar. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat betrokkene er in is geslaagd aannemelijk te maken dat de waardering van twee competenties te laag was. Boven de norm functioneren. Met de rechtbank van oordeel dat betrokkene in aanmerking komt voor bevordering naar senior GGP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3560 AW

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

9 april 2015, 14/6774 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F. IJsendorn een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.J.M. Suijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. IJsendorn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is als politieambtenaar aangesteld, laatstelijk bij de voormalige regiopolitie [regio] , thans de Eenheid [eenheid] , in de functie van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782; circulaire).

1.3.

Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’. In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

1.4.

Bij de voormalige regiopolitie [regio] is het criterium van een beoordeling “boven de norm” zodanig ingevuld dat 80% van de beoordeelde competenties de score uitstekend (4) moet hebben. De bevordering is bedoeld voor politieambtenaren die bovenmatig functioneren. Daarbij is aansluiting gezocht bij het beleid ten aanzien van het bevorderen bij excellerend presteren. Een medewerker kon op basis van dit beleid eerder bevorderd worden indien zijn functioneren als uitmuntend en voortreffelijk te kwalificeren was. In het Regionaal Management Team van het voormalige korps [regio] is de norm van 80% uitstekend na overleg met de ondernemingsraad vastgesteld. Er is voor een percentage gekozen, omdat meerdere functies met een verschillend aantal competenties op grond van het loopbaanbeleid HAP II voor bevordering in aanmerking kwamen.
1.5. Ten behoeve van de bevordering van betrokkene naar niveau 4 en het volgen van de daarbij behorende opleiding is in maart 2013 een beoordeling (eerste beoordeling) vastgesteld. Medio 2013 is de leidinggevende van betrokkene, B, op de hoogte gesteld van het loopbaanbeleid HAP II. Betrokkene heeft daarop laten weten in aanmerking te willen komen voor bevordering. In verband hiermee heeft B opnieuw een beoordeling opgemaakt die op

20 november 2013 is vastgesteld (beoordeling).

1.6.

De beoordeling bevat een potentieel beoordeling waarin onder meer is vermeld dat betrokkene de verwachte geschiktheid heeft voor de functie van senior GGP. Blijkens het beoordelingsformulier zijn er vier mogelijke scores: 1=onvoldoende, 2=matig, 3=voldoende en 4=uitstekend. B had aanvankelijk alle acht beoordeelde competenties met een score 4 gewaardeerd. Omdat de scores niet volledig overeenkwamen met de scores in de eerste beoordeling over dezelfde periode, heeft B na een gesprek met de beoordelingsautoriteit de score op de competenties ‘analytisch vermogen’ en ‘organiseren van het werk’ bijgesteld van een 4 naar een 3.

1.7.

In een begeleidende brief bij de beoordeling heeft B te kennen gegeven dat zij er moeite mee heeft om de scores op de onder 1.6 vermelde competenties te wijzigen in een 3, omdat betrokkene weinig of geen aandachtspunten heeft. B heeft de lagere scores in de eerste beoordeling gemotiveerd door erop te wijzen dat die beoordeling met een andere gedachte/inzicht is opgemaakt dan de beoordeling in het kader van het loopbaanbeleid

HAP II. Zij heeft toen meer gekeken naar punten waarop betrokkene zich tijdens de opleiding kon richten.

1.8.

Bij besluit van 19 december 2013 heeft appellant het verzoek van betrokkene om bevordering naar senior GGP afgewezen.

1.9.

Bij besluit van 8 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft appellant de tegen de beoordeling en het besluit van 19 december 2013 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft de besluiten van 20 november 2013 en 19 december 2013 herroepen en zelf in de zaak voorzien.

2.2.

Over de bevordering oordeelde de rechtbank dat het bevoegd gezag van het voormalige politiekorps Zuid-Holland-Zuid in redelijkheid niet tot zijn nadere invulling van de term “beoordeling boven de norm” heeft kunnen komen. De rechtbank heeft de beoordeling, waarin 75% van de competenties met een score 4 was gewaardeerd, aangemerkt als een beoordeling “boven de norm” en de aanvraag om bevordering toegewezen in die zin dat betrokkene met ingang van de datum waarop hij aan alle voorwaarden voldeed, doch niet eerder dan 1 november 2010, wordt aangesteld als Senior GGP.

2.3.

Over de beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene, gelet op de motivering van beoordelaar B en de louter positieve bewoordingen waarmee de competenties ‘analytisch vermogen’ en ‘organiseren van werk’ zijn gewaardeerd, erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de waardering van deze competenties met een 3 onjuist is. De rechtbank heeft de beoordeling aldus vastgesteld dat alle competenties met een 4 zijn gewaardeerd.

3. Appellant heeft de juistheid van de onder 2.2 en 2.3 vermelde oordelen op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De beoordeling

4.1.

Indien een ambtenaar opkomt tegen de op een onderdeel van een beoordeling gegeven score van een voldoende niveau, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat de op dit onderdeel gegeven waardering niet op voldoende gronden berust. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 5 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:90.

4.2.

Appellant heeft er terecht op gewezen dat een beoordeling niet afhankelijk dient te zijn van het doel ervan. Zoals ook in artikel 2, eerste lid, van het Beoordelingsreglement 2005 van het korps [regio] is neergelegd, moet een beoordeling ongeacht de aanleiding zien op de wijze waarop de ambtenaar zijn functie vervult. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de motivering die B heeft gegeven voor de lagere waardering op de competenties ‘analytisch vermogen’ en ‘organiseren van het werk’ in de eerste beoordeling, namelijk dat deze voortkwam uit het doel van die beoordeling, dan ook niet van belang voor het antwoord op de vraag of de scores op die competenties op voldoende gronden berusten.

4.3.

De uitvoerige toelichtingen bij de competenties “analytisch vermogen” en “organiseren van werk” bevatten uitsluitend zeer positieve kwalificaties die - wat betreft ‘organiseren van het werk’ met zoveel woorden - er op neerkomen dat, als het gaat om die competenties, op het functioneren van betrokkene niets valt aan te merken. De onder 1.7 weergegeven visie van B op het functioneren van betrokkene bevestigt dit beeld. Daarom volgt de Raad de rechtbank wel in haar oordeel dat betrokkene er in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de waardering van deze competenties met een 3 niet op voldoende gronden berust en dat dit

een 4 had moeten zijn.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

Het verzoek om bevordering

4.5.

Onder verwijzing naar de uitspraken van 30 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2551 en ECLI:NL:CRVB:2015:2552) en 19 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1850) is de Raad van oordeel dat de beheerders van de voormalige politiekorpsen de bevoegdheid toekwam een nadere invulling te geven aan het begrip “boven de norm” en dat met de in de voormalige regiopolitie [regio] daaraan gegeven invulling in de vorm van een rekenkundig criterium - ten minste 80% van de competenties met de score 4 (uitstekend) - binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.

4.6.

Uit het onder 4.3 gegeven oordeel volgt dat het functioneren van betrokkene in de beoordeling op alle onderdelen en dus voor 100% met een 4 (uitstekend) is gewaardeerd, zodat hij voldoet aan de voorwaarde van een beoordeling ‘boven de norm’. Nu niet in geschil is dat betrokkene voldeed aan de overige voorwaarden voor bevordering, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat betrokkene in aanmerking komt voor bevordering naar senior GGP.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep ook in zoverre niet slaagt.

Slotoverwegingen

4.8.

De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

5. Er is aanleiding om appellant te veroordelen in de door betrokkene in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C. Moustaïne

IJ