Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
14/3293 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/683
ABkort 2017/81
JB 2017/90
USZ 2017/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3293 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

19 mei 2014, 13/4602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 maart 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2016. Appellant is daarbij verschenen bijgestaan door mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is [geboortedatum] 1982 geboren in Turkije. Hij heeft vanaf zeer jeugdige leeftijd lichamelijke beperkingen als gevolg van polio, PPS en atrofie van zijn dijbeen. In Turkije heeft appellant diverse opleidingen gevolgd, laatstelijk van 2003 tot en met 2006 een universitaire opleiding in voedingsmiddelentechnologie. Verder ontving hij in Turkije een uitkering voor gehandicapten. In oktober 2009 is appellant naar Nederland gekomen in verband met gezinsvorming. In november 2009 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ingediend bij het Uwv.

1.2.

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het Uwv geweigerd een uitkering ingevolge de Wajong 1998 aan appellant toe te kennen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing van 8 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant geen jonggehandicapte is, omdat hij op zijn 17e verjaardag weliswaar arbeidsongeschikt was, maar geen ingezetene was van Nederland. Tegen laatstgenoemd besluit zijn door of namens appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

In juni 2013 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend bij het Uwv. Bij besluit van 19 juni 2013 heeft het Uwv, onder verwijzing naar zijn beslissing van 1 december 2009, afwijzend beslist op deze aanvraag. Daarbij is overwogen dat geen nieuwe informatie is vermeld die aanleiding geeft een andere beslissing te nemen.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juni 2013 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat in bezwaar alleen nieuwe argumenten zijn aangevoerd, die ook al tegen het besluit van 1 december 2009 aangevoerd hadden kunnen worden, en dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven terug te komen van dat besluit. Verder is overwogen dat geen sprake is van een duuraanspraak aangezien er geen sprake is van een rechtsbetrekking tussen appellant en het Uwv.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de aanvraag van juni 2013 een herhaalde aanvraag is, dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het Uwv niet gehouden was ambtshalve de rechtmatigheid van de eerdere weigering te onderzoeken.

3.1.

Namens appellant is in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Het Uwv had naar zijn mening het verzoek inhoudelijk moeten beoordelen, mede gelet op de door hem in bezwaar en beroep aangevoerde rechtspraak en ontwikkelingen. In beroep is een beroep gedaan op artikel 3 van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije (Besluit 3/80), artikel 22, derde lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 8 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (EVSZ) en artikel 18 van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers (EVRMW).

3.2.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv bij brief van 18 november 2016 uitgebreid toegelicht dat ook wanneer het verzoek van appellant wordt aangemerkt als een verzoek om herziening voor de toekomst, er geen aanspraak bestaat op een Wajong-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellant van juni 2013 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant bij zijn aanvraag van juni 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De namens appellant aangevoerde argumenten hadden immers ook al tegen het besluit van 1 december 2009 aangevoerd kunnen worden. In deze argumenten wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.

4.3.

Bij een afwijzing door het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Awb blijft onverminderd van belang de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), waarin is overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.4.1.

Het Uwv heeft naar aanleiding van een vraag van de Raad bij brief van 18 november 2016 meegedeeld dat de aanvraag van appellant van juni 2013, voor zover deze moet worden opgevat als een verzoek om herziening voor de toekomst, ook wordt afgewezen.

4.4.2.

Gelet op de eerdere weigering van de uitkering op grond van de Wajong 1998, moet primair worden beoordeeld of het Uwv destijds terecht heeft beslist dat geen aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de Wajong 1998. Partijen verschillen daarbij van mening of appellant op de dag dat hij 17 jaar oud werd, 8 juli 1999, als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd.

4.4.3.

In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong 1998 was bepaald dat jonggehandicapte is de ingezetene die op de dag waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is. In artikel 3 van de Wajong 1998 was bepaald dat ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wajong 1998 naar de omstandigheden beoordeeld.

4.4.4.

Ingevolge vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908) komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.

4.4.5.

Niet in geschil is dat appellant in Turkije is geboren en daar heeft geleefd tot zijn vertrek naar Nederland in oktober 2009, toen hij de leeftijd van 27 jaar had bereikt. Voorts is niet gebleken van enige band van appellant met Nederland voorafgaande aan zijn vestiging hier te lande. Dit betekent dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland bestond op zijn 17e verjaardag. Hij kan dus niet aangemerkt worden als ingezetene op die datum.

4.4.6.

Ten aanzien van het beroep van appellant op discriminatieverboden zoals neergelegd in artikel 3 van Besluit 3/80, artikel 14 van het EVRM en artikel 18 van het EVRMW, voor zover al aangenomen kan worden dat laatstgenoemde bepaling directe werking heeft, heeft de Raad al eerder, onder meer in de uitspraken van 11 april 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AF8703) en 28 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1213), overwogen dat de in de Wajong 1998 en eerder in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet neergelegde wooneisen niet in strijd komen met deze verboden. Wat betreft de rechtvaardigingsgronden voor het indirecte onderscheid naar nationaliteit wordt met name verwezen naar de eerst genoemde uitspraak.

4.4.7.

Wat betreft het beroep op artikel 8 van het EVSZ is reeds eerder geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:1992:AK9738) dat het eerste lid van dat artikel niet ziet op indirecte discriminatie naar nationaliteit en dat het voorschrift van gelijke behandeling van onderdanen en niet-onderdanen met name niet geacht kan worden te strekken tot een verbod van uniforme wooneisen als in casu in geding. De in het tweede lid van dat artikel bedoelde wooneisen op grond waarvan het genot van uitkeringen van niet-contributieve aard afhankelijk gesteld kan worden van een bepaalde verblijfsduur op het grondgebied van de betreffende verdragspartij, moet in het verlengde van bovenstaande dan ook worden gezien als een inbreuk op een op direct onderscheid betrekking hebbend voorschrift, zodat deze bepaling appellant reeds hierom niet kan baten.

4.4.8.

Wat betreft het beroep van appellant op artikel 22, derde lid, van het NTV kan in het midden worden gelaten of de Wajong 1998 onder de materiële werkingssfeer van het NTV valt. Uitgaande van de toepasselijkheid van het NTV moet namelijk vastgesteld worden dat het NTV niet voorziet in enige bepaling op grond waarvan het stellen van de voorwaarde van ingezetenschap van Nederland op de 17e verjaardag, voor de aanspraak op een uitkering krachtens de Wajong, niet is toegestaan. Voorts heeft het Uwv er terecht op gewezen dat artikel 22 van het NTV is opgenomen in hoofdstuk 3, dat betrekking heeft op ouderdom en overlijden en niet op een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.

4.4.9.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.8 volgt dat appellant ook geen recht kan ontlenen aan de Wajong 1998, en zoals deze met ingang van 1 januari 2010 is gewijzigd, voor de toekomst.

4.5.

Het aan het bestreden besluit klevende motiveringsgebrek, dat eerst in hoger beroep is hersteld, kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, nu aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld.

4.6.

Uit wat hiervoor is overwogen, vloeit voort dat de rechtbank weliswaar gedeeltelijk een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd bij de beoordeling van het bestreden besluit, maar dat uitgaande van het juiste toetsingskader de weigering van de Wajong-uitkering in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van gronden, bevestigd.

5. Nu het Uwv eerst in hoger beroep een motivering heeft gegeven voor de beoordeling van de aanspraak op een Wajong-uitkering voor de toekomst, is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 990,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2017.

(getekend) M.M. van der kade

(getekend) J.W.L. van der Loo

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

IvR