Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
16/3683 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering wachtgelduitkering wegens inkomsten uit eigen onderneming, reeds uitgeoefend naast zijn dienstverband bij Defensie. Uitgaan van de fiscale winst. De verhoogde inkomsten houden verband met de omstandigheid dat appellant meer auto’s heeft verhandeld. Dit moet noodzakelijkerwijs meer tijd hebben gekost, zodat wel sprake moet zijn geweest van verhoogde werkzaamheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3683 AW

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

28 april 2016, 15/767 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Bergenhenegouwen een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bergenhenegouwen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was als burgerambtenaar werkzaam bij het ministerie van Defensie. Per

1 oktober 2007 heeft de minister hem eervol ontslag verleend.

1.2.

Bij besluit van 27 september 2007 heeft de minister appellant op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) per 1 oktober 2007 een wachtgelduitkering toegekend tot 1 juli 2025.

1.3.

Bij afzonderlijk besluit van 27 september 2007 is de vrijstelling van de inkomsten van appellant uit overige werkzaamheden vastgesteld op € 41,01 per maand voor zolang er geen onderbreking in deze werkzaamheden plaatsvindt.

1.4.

Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de minister vastgesteld dat appellant vanwege inkomsten uit eigen onderneming over de jaren 2007 en 2008 een bedrag van € 10.716,32 te veel aan wachtgeld heeft ontvangen. Dit bedrag is deels verrekend met de wachtgelduitkering van de maand juni 2014.

1.5.

Bij besluit van 23 juni 2014 heeft de minister nog een bedrag van € 9.237,91 aan te veel ontvangen wachtgeld van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 3 februari 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Wbad worden de inkomsten die betrokkene geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd, met het wachtgeld verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Deze verrekening geschiedt aldus dat het wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmede het wachtgeld, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging overschrijdt. Op grond van het vierde lid is het eerste lid van toepassing wanneer de betrokkene arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid, en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, tenzij de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan noch het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid noch verband houden met het ontslag, in welk geval die inkomsten, die meerdere inkomsten of dat gedeelte daarvan niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het eerste lid.

4.1.2.

Op grond van artikel 14, eerste en tweede lid, van het Wbad is de betrokkene verplicht van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen aan de minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die arbeid zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn opgave van de inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mee, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de bedoelde termijn. Op grond van het vierde lid, vindt het in het eerste en tweede lid bepaalde overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of het bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 13, vierde lid van het Wbad.

4.2.

De minister wist dat appellant naast zijn dienstverband bij Defensie zijn onderneming

- handel in tweedehands auto’s - al uitoefende. Hij heeft in het besluit van 27 mei 2014 als grondslag voor de verrekening van inkomsten met wachtgeld verwezen naar artikel 13 van het Wbad en in het bestreden besluit naar artikel 13, eerste lid, van het Wbad. Appellant heeft terecht betoogd dat de minister verzuimd heeft artikel 13, vierde lid, van het Wbad als grondslag te hanteren. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan deze onjuiste verwijzing in het bestreden besluit voorbij te gaan, nu aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld.

4.3.

Het is vaste rechtspraak (zie de uitspraken van 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3726, en 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1871) dat het bestuursorgaan in een situatie waarin de (gewezen) ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, in beginsel hetgeen aan de ambtenaar onverschuldigd is betaald gedurende twee jaar, en in het geval van toedoen van de betreffende ambtenaar gedurende vijf jaar, na de dag van uitbetaling kan terugvorderen.

4.4.

De stelling van appellant dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte wachtgeld ontving, gaat niet op. Uit het op aanvraag van appellant genomen besluit van 27 september 2007, genoemd onder 1.3, kon appellant weten dat van inkomsten uit eigen onderneming slechts € 41,01 per maand werd vrijgelaten. Gezien zijn inkomsten uit onderneming kon appellant weten dat die tot verrekening met zijn wachtgeld behoorden te leiden. Dat de broer van appellant, die zijn boekhouding deed, hem hiervoor niet heeft gewaarschuwd, is een omstandigheid die voor rekening van appellant komt.

4.5.

Appellant was op grond van artikel 14, vierde lid, van het Wbad verplicht om

zelf - terstond - aan de minister zijn inkomsten uit zijn onderneming op te geven. In het besluit tot toekenning van de wachtgelduitkering van 27 september 2007 heeft de minister appellant overigens op diens inlichtingenverplichting gewezen. Dat de minister ermee bekend was dat appellant een onderneming uitoefende, doet aan deze verplichting niets af. Het nalaten om aan deze verplichting te voldoen is aan te merken als een toedoen van appellant, dat de foutieve betaling van wachtgeld heeft laten ontstaan. Hieruit volgt (zie de onder 4.3 genoemde uitspraak van 22 mei 2014) dat in dit geval een termijn van vijf jaren geldt waarin de minister bevoegd is het te veel betaalde wachtgeld terug te vorderen. Deze termijn is eerst eind 2013 aangevangen na ontvangst van de informatie van appellant over zijn inkomsten over onder meer 2007 en 2008. De besluiten van 27 mei 2014 en 23 juni 2014 waarbij is vastgesteld dat appellant te veel wachtgeld heeft genoten en waarbij het te veel ontvangen wachtgeld is teruggevorderd, zijn ruim binnen deze termijn genomen. Verjaring is dus niet aan de orde.

4.6.

Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraken van 30 september 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR3640 en 25 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1272) mag in een geval als dit bij de vaststelling van de inkomsten uit onderneming worden uitgegaan van de fiscale winst, zijnde het bedrag dat voor heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking wordt genomen. Anders dan appellant heeft betoogd, hoefde de minister dus niet uit te gaan van het resultaat uit onderneming. Zijn betoog dat de minister ermee rekening had moeten houden dat hij de zakelijke motorrijtuigenbelasting uit zijn privévermogen heeft betaald en zijn inkomsten uit onderneming daarom lager waren, slaagt ook niet. De minister mocht uitgaan van de door de belastingdienst vastgestelde winst uit onderneming. Als appellant daarop nog kostenposten in mindering wenst te brengen, dient hij zich allereerst tot de belastingdienst te wenden om de vastgestelde winst uit onderneming te doen wijzigen.

4.7.

Eerst kort voor de zitting bij de Raad heeft appellant aangevoerd dat en toegelicht waarom de vermeerdering van zijn inkomsten uit onderneming geen gevolg is van een verhoogde werkzaamheid en ook geen verband houdt met zijn ontslag. De minister heeft zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat de verhoogde inkomsten verband houden met de omstandigheid dat appellant meer auto’s heeft verhandeld en dat dit noodzakelijkerwijs meer tijd heeft gekost, zodat wel sprake moet zijn geweest van verhoogde werkzaamheid van appellant. De Raad volgt dit standpunt. Ook al zou appellant niet actief hebben gezocht naar auto’s om te verhandelen, daarmee heeft hij nog niet aannemelijk gemaakt dat voor het verhandelen van meer auto’s dan voorheen niet meer tijd nodig is geweest. Ook de omstandigheid dat appellant veel tijd moest steken in mantelzorg geeft daarvoor geen verklaring. En appellant heeft weliswaar gesteld dat hij een urenregistratie heeft bijgehouden waaruit blijkt dat hij niet meer heeft gewerkt, maar hij heeft daarin geen inzicht geboden. De conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn verhoogde inkomsten geen gevolg zijn geweest van een verhoogde werkzaamheid en geen verband hielden met zijn ontslag.

4.8.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in ernstige financiële problemen zal komen als hij het teruggevorderde bedrag moet betalen en daarbij verwezen naar zijn lage inkomen. De minister, zo staat in het bestreden besluit, heeft geen dringende reden gezien om niet terug te vorderen. Ter zitting is gebleken dat een terugbetalingsregeling is getroffen, dat appellant daaraan kan voldoen en dat de minister bij een verdere verlaging van het inkomen van appellant bereid is daarmee rekening te houden. De conclusie is dat de minister in redelijkheid het teveel betaalde wachtgeld kon terugvorderen.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gezien 4.2, met verbetering van de gronden omdat de rechtbank geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

5. Gelet op 4.2 bestaat aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus op € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en M. Kraefft en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C. Moustaïne

HD