Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
15/5789 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering ten onrechte vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,17%. De verzekeringsarts geeft aan dat er is sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, welke met terugwerkende kracht arbitrair op 1 januari 2015 wordt gesteld. Niet gebleken is dat de medische situatie van appellant op 24 maart 2014 wezenlijk verschilde van die op 1 januari 2015. De Raad bepaalt de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 maart 2014 op 80 tot 100%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5789 WIA

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 juni 2015, 14/5465 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F. Achekar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 20 maart 2014 heeft het Uwv aan appellant per 24 maart 2014 een
WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,17%.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 20 maart 2014 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, en de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 maart 2014 vastgesteld op 79,73%. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 mei 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 juli 2014 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Alle beschikbare informatie is meegewogen. De psychiatrische aandoeningen waar appellant, blijkens de informatie van de behandelend sector, aan lijdt hebben geleid tot het aannemen van aanzienlijke beperkingen. Niet gebleken is dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij de door het Uwv geselecteerde functies niet kan vervullen wegens zijn rugklachten, en dat hij door zijn psychische klachten in het geheel niet in staat is te werken. Bij appellant is de diagnose schizofrenie vastgesteld. Appellant is daardoor niet in staat sociale contacten te onderhouden, laat staan te werken. Hij is geheel verward en leidt een zwervend bestaan. Appellant acht zich volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Bij besluit van
8 september 2015 is appellant per 1 januari 2015 alsnog volledig arbeidsongeschikt geacht en is hem met ingang van 1 januari 2015 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Er is geen aanleiding om ook per 24 maart 2014 van een volledige arbeidsongeschiktheid uit te gaan. De psychiatrische aandoening kent een fluctuerend beloop. In augustus 2015 heeft een verzekeringsgeneeskundige, naar aanleiding van een verzoek van appellant om een herbeoordeling, geconcludeerd dat appellant alsnog per (arbitrair) 1 januari 2015 als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Deze datum ligt een half jaar na de datum in geding.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Uit de brief van behandelend psychiater S.M.E. Schopman van 13 februari 2014 blijkt dat bij appellant de diagnose schizofrenie van het gedesorganiseerde type is gesteld. Daarbij is vermeld dat het een chronische ziekte is waarbij het sociaal maatschappelijk functioneren over het algemeen eerder afneemt dan verbetert. Ook wordt in de brief vermeld dat de psychotische belevingen al jaren bestaan.

4.3.

De verzekeringsartsen van het Uwv gaan uit van dezelfde diagnose. In het rapport van
28 augustus 2015 van de verzekeringsarts A.M. van der Ploeg wordt geconcludeerd dat appellant al lange tijd evident fors psychotisch is, waarbij een verslechtering is ontstaan na het verlies van inkomsten. Het verlies van uitzicht op een vaste verblijfplaats begin 2015 is een onderhoudende factor geweest. Er bestaat onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren ten gevolge van deze ernstige psychische stoornis. Er is sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, welke met terugwerkende kracht arbitrair op
1 januari 2015 wordt gesteld.

4.4.

Niet gebleken is dat de medische situatie van appellant op 24 maart 2014 wezenlijk verschilde van die op 1 januari 2015. Uit beschrijvingen van contacten met appellant, zoals in het rapport van de verzekeringsarts van 7 maart 2014 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 19 maart 2014, blijkt veelal hetzelfde beeld: afwezig, verward, in zichzelf pratend, vreemde dingen zeggend. Dit psychotische gedrag bestaat volgens psychiater Schopman al jaren. Er is sprake van een chronische ziekte waarbij het maatschappelijk functioneren over het algemeen eerder afneemt dan verbetert. Ook in het medisch onderzoeksverslag van de verzekeringsarts van 28 augustus 2015 wordt gesteld dat deze situatie al langdurig bestaat. De motivering om de situatie van geen benutbare mogelijkheden alsnog arbitrair aan te nemen per 1 januari 2015 is gelegen in de veranderde sociale omstandigheden van appellant begin 2015, namelijk het kwijtraken van een vaste woon- en verblijfplaats. Dit gegeven zegt echter niets over het verdienvermogen van appellant per 24 maart 2014. Er is daarom onvoldoende grond voor de conclusie dat de arbitrair per 1 januari 2015 aangenomen situatie van geen benutbare mogelijkheden niet reeds per 24 maart 2014 aanwezig was. In dit verband kan aan de omstandigheid dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 juli 2014 op basis van de vastgestelde beperkingen reeds tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 79,73% heeft geconcludeerd ook niet iedere betekenis worden ontzegd.

4.5.

Het standpunt van appellant dat er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, zodat een IVA-uitkering zou moeten worden toegekend, is onvoldoende onderbouwd. De verzekeringsartsen gaan bij mogelijke verbetering van de sociale omstandigheden en behandelmogelijkheden ook uit van een herbeoordeling in de toekomst.

4.6.

De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Nu alleen nog in geschil is of reeds per 24 maart 2014 sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid is er aanleiding, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, vast te stellen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 24 maart 2014 wordt bepaald op 80 tot 100% te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, deze worden begroot op € 990,- in beroep en € 495,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 juli 2014, voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 24 maart 2014 op 65 tot 80% is vastgesteld;

  • -

    bepaalt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 24 maart 2014 op 80 tot 100%;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 juli 2014;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.485,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.W.L. van der Loo

SS