Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
15/5389 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsingsmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt gevolgd, zoals neer gelegd in de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131. Hier is van belang hetgeen onder 3.6 van genoemde uitspraak is overwogen. Als geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en het bestuursorgaan beleid voert met betrekking tot het terugkomen van een besluit dat evident onredelijk is, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. In het kader van de toetsing of een juiste toepassing is gegeven aan het beleid komt betekenis toe aan artikel 4:84 van de Awb. In dit artikel is neergelegd, dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot een langere terugwerkende kracht dan het in het beleid neergelegde maximum van vijf jaar. Betrokkene had de juiste gegevens verstrekt, er was geen toekenningsbesluit waarin het kortingspercentage werd vermeld, pas veertien jaar later kreeg betrokkene een besluit waaruit de korting bleek. Betrokkene had echter wel aan de bedragen kunnen zien dat hij geen volledig AOW-pensioen kreeg. Herziening met zeven jaar en een maand terugwerkende kracht (= de helft van de totale termijn). De Raad voorziet zelf.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/685
ABkort 2017/74
USZ 2017/187 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5389 AOW

Datum uitspraak: 3 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juli 2015, 15/2360 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. Namens de Svb is

mr. G.J. Oudenes verschenen. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft in september 2000 een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op het voorgedrukte formulier was vermeld dat betrokkene van 26 juli 1997 tot en met 14 juli 1999 buiten Nederland had gewoond. Betrokkene heeft dit doorgehaald en vermeld dat hij in die periode in Nederland woonachtig was.

1.2.

Bij besluit van 6 november 2000 heeft de Svb betrokkene bericht dat hem met ingang van november 2000 een voorschot op een AOW-pensioen zal worden betaald, met vermelding van het bedrag dat maandelijks zal worden overgemaakt.

1.3.

Nadat onderzoek had plaatsgevonden naar de leefsituatie van betrokkene, heeft de Svb betrokkenes ouderdomspensioen bij besluit van 10 januari 2003 met ingang van mei 2001 herzien naar de norm voor een alleenstaande, met vermelding van het uit te betalen bedrag. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft daarbij gesteld al vanaf november 2000, de ingangsdatum van zijn pensioen, alleenstaand te zijn geweest. Dit bezwaar is op 3 juni 2003 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 23 december 2014 heeft de Svb betrokkene bericht dat de Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen per 1 januari 2015 vervalt en wordt vervangen door de inkomensondersteuning AOW. Deze inkomensondersteuning is afhankelijk van het aantal jaren dat AOW-pensioen is opgebouwd. Nu betrokkene 84% AOW-pensioen heeft opgebouwd, zal hij 84% van de maximale inkomensondersteuning ontvangen, aldus dit besluit.

1.5.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 december 2014 en er daarbij op gewezen dat hij geen 84%, maar 100% AOW heeft opgebouwd, nu hij voortdurend in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Svb heeft dit besluit mede opgevat als een verzoek om herziening van zijn AOW-pensioen.

1.6.

Bij besluit van 6 februari 2015 heeft de Svb het AOW-pensioen van betrokkene met ingang van januari 2010 herzien naar 100% van het AOW-pensioen. Daarbij is overwogen dat bij de toekenning van het pensioen sprake is geweest van een duidelijke fout van de Svb en dat het pensioen in dergelijke gevallen met een terugwerkende kracht van vijf jaar wordt herzien. Bij beslissing op bezwaar van 20 maart 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 6 februari 2015 gehandhaafd.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat betrokkene vanaf november 2000 een ongekort AOW-pensioen toekomt, met bepalingen over de vergoeding van het griffierecht.

2.2.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb beleidsregels heeft ontwikkeld voor de behandeling van een verzoek om terug te komen van een onmiskenbaar onjuist rechtens onaantastbaar besluit, welke beleidsregels in de rechtspraak van de Raad zijn aanvaard. Volgens deze beleidsregels kan een uitkering met terugwerkende kracht van een jaar worden herzien indien de onjuistheid van het eerdere besluit niet is te wijten aan een fout van de Svb en met een terugwerkende kracht tot een maximum van vijf jaar indien de onjuistheid het gevolg is van een fout van de Svb. Naar het oordeel van de rechtbank was er in het geval van betrokkene aanleiding met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van deze beleidsregels. Van belang daarbij is dat in het besluit van

23 december 2014 voor het eerst expliciet is verwoord dat een korting op het pensioen van betrokkene wordt toegepast en dat betrokkene daartegen direct is opgekomen. Betrokkene heeft in eerdere besluiten alleen aan de hoogte van de bedragen kunnen zien dat hij geen volledig AOW-pensioen ontving. Bij gebrek aan signalen dat er een korting werd toegepast, kon naar het oordeel van de rechtbank niet van betrokkene worden verwacht dat hij de juistheid van de bedragen controleerde.

3.1.

De Svb heeft er in hoger beroep op gewezen dat de bevoegdheid om ten voordele van een betrokkene terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit is gebaseerd op artikel 4:6 van de Awb. Het beleid van de Svb is in de rechtspraak van de Raad aanvaard. Nu geen sprake is van nieuwe feiten om veranderde omstandigheden, is er geen gehoudenheid voor de Svb om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb. De Svb meent voor dit standpunt steun te vinden in de uitspraak van de Raad van 16 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1727. Verder is de Svb van mening dat betrokkene had kunnen onderkennen dat hij geen volledig AOW-pensioen ontving, nu de maximale bedragen steeds worden vermeld in het tijdschrift dat pensioengerechtigden een of twee keer per jaar wordt toegezonden.

3.2.

Betrokkene heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hem vanaf november 2000 een ongekort AOW-pensioen toekomt.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het hier gaat om een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Bij uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) haar rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In zijn uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 heeft de Raad de uitspraak van de Afdeling onderschreven en de daarin onder 3.2 tot en met 3.7 gegeven overwegingen overgenomen. Dit betekent dat de Raad de in de overwegingen 3.2 tot en met 3.6 van de uitspraak van de Afdeling weergegeven nieuwe lijn hanteert.

4.2.

In dit geding is van belang hetgeen de Afdeling heeft overwogen onder 3.6 van genoemde uitspraak van 23 november 2016. Als geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, de bestuursrechter een weigering om terug te komen van het eerdere besluit evident onredelijk acht en het bestuursorgaan ter zake beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. In het kader van de toetsing of een juiste toepassing is gegeven aan het beleid komt betekenis toe aan artikel 4:84 van de Awb. In dit artikel is neergelegd, dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.3.

In zijn hogerberoepsschrift heeft de Svb zijn beleid als volgt kort weergegeven. Als een rechtens onaantastbaar toekenningsbesluit onmiskenbaar onjuist is ten gevolge van een fout van de Svb, verhoogt de Svb de uitkering ambtshalve of op verzoek met volledig terugwerkende kracht, echter tot een maximum van vijf jaar. Deze termijn wordt berekend vanaf het moment waarop de Svb haar fout heeft geconstateerd, dan wel de betrokkene een verzoek om herziening heeft ingediend.

4.4.

Niet in geschil is dat de Svb deze beleidsregel heeft toegepast. De Svb betwist in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat hij op grond van artikel 4:84 van de Awb ten voordele van betrokkene van zijn beleid had moeten afwijken en betrokkene vanaf november 2000 een ongekorte AOW-uitkering had moeten toekennen.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er in het voorliggende geval aanleiding is ten gunste van betrokkene af te wijken van de in het beleid neergelegde termijn van vijf jaar. Aan betrokkene is een gekort AOW-pensioen toegekend. Die korting is toegepast ondanks het feit dat appellant op het aanvraagformulier – in afwijking van de voorgedrukte versie – de juiste gegevens had vermeld. Aan betrokkene is – in tegenstelling tot de gebruikelijke gang van zaken – geen toekenningsbesluit uitgereikt waarin de korting op zijn AOW-pensioen is neergelegd. Betrokkene heeft alleen bericht ontvangen dat hem een voorschot werd verstrekt. Tussen betrokkene en de Svb bestond ten tijde van de toekenning van het AOW-pensioen verschil van inzicht of betrokkene als gehuwd of als alleenstaand moest worden aangemerkt. Dit heeft erin geresulteerd dat betrokkene vanaf mei 2001 als alleenstaand is beschouwd. Dit is hem bij besluit van 10 januari 2003 medegedeeld, waarbij impliciet het standpunt is ingenomen dat hem vanaf november 2000 tot mei 2001 een AOW-pensioen voor een gehuwde toekwam. Ook in dit besluit is niet vermeld dat sprake was van een korting op het pensioen. De daarop volgende bezwaarprocedure ging over het gehuwd of ongehuwd zijn. In het besluit van 23 december 2014 is, ruim veertien jaar na de ingangsdatum van het

AOW-pensioen, voor het eerst melding gemaakt van de korting van 16% op het

AOW-pensioen.

4.6.

De rechtbank kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de afwijking van het beleid ertoe moet leiden dat met volledig terugwerkende kracht tot november 2000 een ongekort AOW-pensioen moet worden toegekend. De Svb heeft er terecht op gewezen dat betrokkene aan de hem toegekende bedragen had kunnen zien dat geen volledig AOW-pensioen werd uitbetaald. Dat betrokkene niet de moeite heeft genomen een vergelijking te maken met de in het hem toegezonden tijdschrift vermelde bedragen, komt voor zijn rekening.

4.7.

Gegeven de onder 4.5 genoemde bijzondere omstandigheden enerzijds en de in 4.6 genoemde, voor rekening van betrokkene blijvende nalatigheid anderzijds, en in aanmerking nemend dat betrokkene gedurende veertien jaar en twee maanden ten onrechte een gekort AOW-pensioen heeft ontvangen, moet een terugwerkende kracht van zeven jaar en een maand in overeenstemming worden geacht met de door de beleidsregel te dienen doelen.

4.8.

Gezien het in 4.1 tot en met 4.7 overwogene zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat aan betrokkene met ingang van november 2000 een volledig AOW-pensioen toekomt en bepalen dat aan betrokkene met ingang van december 2007 een volledig AOW-pensioen toekomt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat aan betrokkene met

ingang van november 2000 een volledig AOW-pensioen toekomt;

- bepaalt dat aan betrokkene met ingang van december 2007 een volledig AOW-pensioen

toekomt;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande dat de Svb wordt

opgedragen uitvoering te geven aan deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) A.M.C. de Vries

RB