Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:88

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
16/2528 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel in verband met niet verschijnen op gesprek over arbeidsinschakeling. Recidive. Verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2528 PW

Datum uitspraak: 10 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 maart 2016, 15/4249 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek ingediend om het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 15/5478 WWB en 15/8308 WWB plaatsgevonden op 29 november 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.S. Teunissen. In de zaken 15/5478 WWB en 15/8308 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 14 augustus 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant is verschillende malen opgeroepen voor een gesprek over zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, te weten op 18 december 2014 en 8 en 16 januari 2015. Appellant heeft aan geen van die oproepen gehoor gegeven door zich daarvoor telkens kort tevoren om medische redenen bij e-mail af te melden. Na de afmeldingen heeft een verzuimcontroleur steeds geprobeerd een huisbezoek af te leggen, maar appellant is geen enkele keer thuis aangetroffen. Na elk van deze drie huisbezoeken heeft de verzuimcontroleur appellant schriftelijk verzocht de volgende dag vóór 9.30 uur telefonisch contact met hem op te nemen. Appellant heeft dit nagelaten.

1.2.

Bij besluit van 5 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 februari 2015 met 30% verlaagd gedurende twee maanden. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet tijdig heeft voldaan aan een oproep om in verband met de inschakeling in de arbeid op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen en dat sprake is van recidive.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.

In artikel 18, tweede lid, van de PW is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de PW voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de PW. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college heeft in dit geval toepassing gegeven aan de Maatregelenverordening 2013 van de gemeente Stichtse Vecht (Verordening).

4.3.

Artikel 6, tweede lid, onder b, van de Verordening bepaalt dat het niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met de inschakeling in de arbeid op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, een gedraging is van de tweede categorie. Op grond van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening wordt de maatregel bij een gedraging van de tweede categorie vastgesteld op 30% bij geen benadelingsbedrag of een benadelingsbedrag tot en met € 1.000,-. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, wordt de maatregel opgelegd voor de duur van twee maanden, wanneer sprake is van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden nadat het college van de eerdere gedraging de verwijtbaarheid heeft vastgesteld.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de onder 1.1 genoemde oproepen. Appellant heeft het volgende aangevoerd. Het medisch advies van A-REA van 1 september 2014 sluit geenszins uit dat appellant niet in staat is naar een afspraak te komen. Dit kan ook worden opgemaakt uit de voorlopige conclusie van 5 januari 2016 van de behandelend orthopedisch chirurg die bij appellant Bechterew heeft gediagnosticeerd. Deze diagnose houdt de mogelijkheid open dat appellant soms te ziek kan zijn om naar een afspraak te komen. Het college heeft bij het opleggen van de maatregel hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. Daarom is het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het rapport van A-REA van 1 september 2014 blijkt dat appellant in staat was afspraken na te komen. Anders dan appellant stelt kan uit de diagnose van orthopedisch chirurg R.N. Wessel niet worden afgeleid dat appellant daadwerkelijk niet in staat was aan de oproepen hier in geding gehoor te geven. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde verslagstatus van 31 augustus 2015 van de radioloog drs. A. Plaisier.

4.6.

Gelet op 4.5 kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid bij appellant ontbreekt. Het college was gelet op artikel 18, tweede lid, van de PW dan ook gehouden de bijstand van appellant bij wijze van maatregel te verlagen. Nu tevens sprake was van recidive is de verlaging met 30% gedurende een periode van twee maanden in overeenstemming met de Verordening.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van schade, zodat het verzoek hiertoe moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J. Tuit

HD