Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/4852 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om kinderbijslag. Geconcludeerd wordt dat appellant op de peildata van het tweede en derde kwartaal van 2014 niet verzekerd was op grond van de AKW. De bepalingen waarop de weigering van de kinderbijslag is gebaseerd zijn dwingendrechtelijk van aard in welk kader er voor de Svb geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Vanwege dit dwingendrechtelijk karakter is er geen plaats voor toetsing aan het door appellant genoemde evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4852 AKW

Datum uitspraak: 3 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2015, 15/96 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.J. Schins, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. Namens appellant is verschenen mr. L.M.E. Embregts, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1969, woonde samen met zijn echtgenote en minderjarige zoon in Syrië, waarna hij zich in het kader van gezinshereniging op 20 januari 2014 bij zijn vanaf april 2013 in Nederland verblijvende meerderjarige zoon heeft gevoegd. Vanaf dat moment verbleef hij in een asielzoekerscentrum in afwachting van het verkrijgen van zelfstandige woonruimte. Op 13 maart 2014 is appellant met ingang van 14 juni 2013 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend en vanaf 10 april 2014 staat hij ingeschreven in de Basisregistratie Personen.

1.2.

Appellant heeft begin mei 2014 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd ten behoeve van zijn zoon, [naam zoon], geboren op [geboortedatum van zoon] 2002. Bij besluit van 11 juli 2014 is de aanvraag om kinderbijslag afgewezen, omdat appellant niet als ingezetene van Nederland wordt beschouwd.

1.3.

Het tegen dit besluit door appellant ingediende bezwaar heeft de Svb bij besluit van

24 november 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat niet is gebleken dat appellant over het tweede en derde kwartaal van 2014 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en appellant om die reden niet kan worden aangemerkt als ingezetene en verzekerde voor de AKW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant op de peildata in dit geding niet kan worden aangemerkt als ingezetene, omdat er toen nog geen sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij op de peildata in geding geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Hij had de intentie zich definitief in Nederland te vestigen en kon vanwege de onveilige situatie in Syrië onmogelijk terugkeren. Daarnaast beschikte hij over een verblijfsvergunning, ging zijn zoon naar school en volgde hij een inburgeringscursus. Hij had woonruimte in een asielzoekerscentrum en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers was met spoed aan het bemiddelen voor een zelfstandige woning, welke in september 2014 is verkregen. Op basis van het verkrijgen van deze zelfstandige woning heeft de Svb appellant met ingang van het vierde kwartaal van 2014 aangemerkt als ingezetene en is hem per dat kwartaal kinderbijslag toegekend. Verder voert appellant aan dat de weigering om kinderbijslag toe te kennen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat hij niet over voldoende financiële middelen beschikte om te kunnen voorzien in de behoorlijke opvoeding van zijn zoon.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is de vraag of appellant op de peildata van het tweede en het derde kwartaal van 2014 ingezetene van Nederland was.

4.2.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

Ingevolge vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908) komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.

4.4.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5741, geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene heeft gemeld de intentie te hebben zich definitief in Nederland te vestigen. Voorts heeft de Raad in een vergelijkbare situatie eerder geoordeeld in zijn uitspraak van 1 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2773, dat bij de beoordeling van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland met name van belang wordt geacht dat betrokkene niet beschikt over zelfstandige woonruimte in Nederland.

4.5.

Uit de tussen partijen niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden blijkt dat appellant op de peildatum van het derde kwartaal van 2014 ruim vijf maanden in Nederland verbleef. Hij verbleef toen in een asielzoekerscentrum en woont sinds eind september 2014 in een huurwoning. De Svb heeft op grond van het betrekken van deze huurwoning met ingang van het vierde kwartaal van 2014 kinderbijslag toegekend. Geoordeeld wordt dat, gelet op de korte verblijfsduur in Nederland en het niet beschikken over zelfstandige woonruimte, er geen aanleiding is om reeds op de peildata in geding aan te nemen dat sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. De intentie van appellant om definitief in Nederland te verblijven, het niet kunnen terugkeren naar Syrië en de inspanningen die zijn verricht om tot een geslaagde inburgering te komen, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

4.6.

Geconcludeerd wordt dat appellant op de peildata van het tweede en derde kwartaal van 2014 niet verzekerd was op grond van de AKW. De bepalingen waarop de weigering van de kinderbijslag is gebaseerd zijn dwingendrechtelijk van aard in welk kader er voor de Svb geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Vanwege dit dwingendrechtelijk karakter is er geen plaats voor toetsing aan het door appellant genoemde evenredigheidsbeginsel.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) A.M.C. de Vries

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

NK