Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/4850 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Svb heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene gedurende het tweede halfjaar van 2011 geen duurzame banden van persoonlijke aard meer had met Nederland, of dat zij niet een substantieel gedeelte van haar werkzaamheden in Nederland verrichtte. Ten onrechte herziening kinderbijslag. Vanaf 2012 normale woonplaats in Spanje. Herziening berust op goede gronden. Finale geschilbeslechting. De Raad zal zelf bepalen dat betrokkene over geheel 2011 recht heeft op kinderbijslag. Dit leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij aan de Svb is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4850 AKW

Datum uitspraak: 3 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

29 mei 2015, 14/633 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[Betrokkene] te Spanje (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. Namens de Svb is verschenen mr. M. Sturmans. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene ontving vanaf het eerste kwartaal van 2009 kinderbijslag voor haar zoon [naam zoon a]. In oktober 2012 heeft de Svb een tip ontvangen dat betrokkene en haar partner zich op 31 december 2009 met [naam zoon a] in Spanje hebben gevestigd en daar een Bed & Breakfast (B&B) runnen. Naar aanleiding van deze melding heeft de Svb een onderzoek ingesteld. Hieruit is onder andere gebleken dat betrokkene en haar partner in 2009 voor het laatst in Nederland in loondienst hebben gewerkt, dat enkele van hun voertuigen eind 2009 zijn uitgeschreven bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, dat zij enkele webwinkels exploiteren waarvan er één is gericht op toerisme in de Spaanse Pyreneeën en dat zij betrokken zijn bij de exploitatie van een B&B in de Spaanse Pyreneeën.

1.2.

Op vragen van de Svb heeft betrokkene in juni 2013 laten weten dat zij en haar partner graag naar Spanje zouden willen emigreren en om die reden vaak langere tijd in Spanje zijn. Van een definitieve emigratie kan echter pas sprake zijn als hun huis is verkocht.

1.3.

Bij beslissing van 4 juli 2013 heeft de Svb vastgesteld dat betrokkene vanaf januari 2010 geen recht meer heeft op kinderbijslag.

1.4.

Bij besluit van 4 februari 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb, voor zover hier van belang, het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de herziening van het recht op kinderbijslag over het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2010, en ongegrond voor zover het gaat om de latere kwartalen.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen, met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat de Svb er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat betrokkene op 1 januari 2011 (de eerste dag van het eerste kalenderkwartaal dat nu nog in geding is) geen duurzame band van persoonlijke aard meer had met Nederland. De rechtbank is daarbij uitgegaan van de verklaring van betrokkene ter zitting, dat zij met haar gezin in 2010 zonder vastomlijnd plan door Spanje is gaan reizen, tussentijds nog enkele malen is teruggekeerd naar Nederland, vanaf mei 2010 in Spanje als proef drie maanden een B&B heeft beheerd, toen is teruggekeerd naar Nederland, vanaf november 2010 in Portugal en Costa Rica heeft rondgereisd en in het voorjaar van 2011 de reis door Spanje heeft voortgezet. Verder zou het woonhuis van betrokkene en haar partner in Nederland niet verhuurd zijn geweest en zou betrokkene voor haar webshop nog regelmatig in Nederland zijn.

3.1.

De Svb heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat betrokkene op 1 januari 2011 geen duurzame band van persoonlijke aard meer had met Nederland, en dat zij in 2011 voornamelijk in Spanje heeft gewerkt. De Svb verwijst hiertoe naar diverse websites en de verklaring van betrokkene ter zitting in eerste aanleg.

3.2.

In verweer heeft betrokkene gesteld dat zij en haar partner na een sabbatical van anderhalf jaar zijn gaan werken om een permanent verblijf in Spanje mogelijk te maken. Toen [naam zoon a] in 2013 leerplichtig werd, hebben zij hem op een Spaanse school ingeschreven. Per

31 december 2014 is het gezin uitgeschreven uit het Nederlandse bevolkingsregister. Men betaalt nog wel steeds belasting en premies volksverzekeringen in Nederland. Betrokkene verweert zich niet langer tegen de vaststelling dat zij vanaf het tweede kwartaal van 2013 geen recht meer heeft op kinderbijslag.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

In dit geding dient beoordeeld te worden of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Svb niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene op 1 januari 2011 niet langer een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Aldus heeft de rechtbank haar toetsing ten onrechte beperkt tot de peildatum van het eerste kwartaal van 2011, aangezien de herziening van de aanspraak op kinderbijslag betrekking heeft op het eerste kwartaal van 2011 tot en met het eerste kwartaal van 2013. Nu het hier gaat om een herziening met terugwerkende kracht ten nadele van betrokkene, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat het aan de Svb is om aannemelijk te maken dat betrokkene niet aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag heeft voldaan.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een grensoverschrijdende situatie en dat betrokkene gedurende de kwartalen in geding gedeeltelijk in Spanje en gedeeltelijk in Nederland werkzaamheden anders dan in loondienst heeft verricht. Op grond van artikel 13, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) is op degene, die in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar hij woont, mits hij daar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de Svb voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene op en na 1 januari 2011 in Spanje woonde en daar een substantieel deel van haar werkzaamheden verrichtte.

4.4.

Blijkens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (vergelijk de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, C-76/76, Swaddling van 25 februari 1999, C-90/97, Wencel van 16 mei 2013, C-589/10 en I vs Health Service van 5 juni 2014, C-255/13) wordt met de term “woonplaats” voor de toepassing van Vo 883/2004 gedoeld op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Volgens het Hof kan een persoon, voor de toepassing van Vo 883/2004, echter niet tegelijkertijd beschikken over twee normale woonplaatsen op het grondgebied van twee verschillende lidstaten (arrest Wencel, punt 51).

4.5.

Geconstateerd moet worden dat de Svb slechts een beperkt, vooral digitaal, onderzoek heeft ingesteld naar de feiten en omstandigheden. Hierdoor zijn diverse relevante vragen inzake het wonen en werken van betrokkene gedurende de kwartalen in geding onbeantwoord gebleven, zoals de vraag of de koopwoning in Nederland vanaf januari 2011 nog vrijelijk aan betrokkene en haar partner ter beschikking heeft gestaan en de vraag naar de omvang van de werkzaamheden van betrokkene en haar partner in Nederland en Spanje.

4.6.

Evenzeer moet worden geconstateerd dat betrokkene geneigd lijkt de feiten te presenteren op een wijze die haar met het oog op het te bereiken resultaat gunstig lijkt. Zo heeft betrokkene in juni 2013 op een vragenformulier ingevuld, dat zij en haar partner beiden honderd procent van hun werkzaamheden in Nederland verrichtten, terwijl uit andere stukken in het dossier onomstotelijk blijkt dat reeds op dat moment ten minste een deel van hun werkzaamheden in Spanje werd verricht. Ook hebben betrokkene en haar partner in maart 2013 op de website van hun boekingssite vermeld dat zij al jaren in Spanje wonen en daar een B&B drijven. In dit geding stellen zij zich echter op het standpunt dat hier sprake is van een commercieel stuk waaraan geen bewijswaarde mag worden gehecht. Gelet hierop dienen de uitlatingen van betrokkene in de loop van de bezwaar- en beroepsprocedure met behoedzaamheid te worden benaderd.

4.7.

De geconstateerde onvolkomenheden aan beide kanten zijn niet meer voldoende te herstellen. Er zal dan ook op basis van de thans beschikbare gegevens tot finale geschilbeslechting worden overgegaan. Daarbij wordt vooral belang gehecht aan de volgende feiten en omstandigheden.

4.8.

Betrokkene en haar partner hebben de Nederlandse nationaliteit en hebben in ieder geval tot eind 2009 in Nederland verbleven. Blijkens hun weblog [blog], die kennelijk vanaf het begin van hun reis is bijgehouden, hebben zij begin 2010 Nederland verlaten om anderhalf jaar op verschillende plaatsen in Spanje te gaan wonen. Dit sluit aan op de stelling van betrokkene in beroep en hoger beroep dat er sprake was van een sabbatical gedurende anderhalf jaar. Betrokkene en haar partner beschikten toen over een eigen koopwoning in Nederland. De Svb heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze woning niet aan betrokkene ter beschikking stond. Dat de woning aan de broer van de partner van betrokkene zou zijn verhuurd, wordt slechts vermeld in een tip die niet verder is nagetrokken. De broer van betrokkene is pas met ingang van 27 december 2012 ingeschreven op het adres [adres a]. De verklaring van betrokkene dat zij en haar partner in de woning verbleven als zij in Nederland waren, en dat de broer van haar partner ook wel in deze woning verbleef als hij in Nederland was, is niet op voorhand onaannemelijk. Betrokkene beschikte voorts in Nederland over een opslagplaats voor haar webwinkel in [branche]. Vastgesteld wordt dan ook dat betrokkene in 2010 en de eerste helft van 2011 nog duurzame banden van persoonlijke aard met Nederland had.

4.9.

Uit de stukken blijkt verder dat betrokkene en haar partner na deze sabbatical gaandeweg het zwaartepunt van hun leven naar Spanje hebben verlegd. Daarbij is niet onaannemelijk, dat zij het tweede halfjaar 2011 hebben gebruikt om vanuit Nederland de definitieve emigratie voor te bereiden. In ieder geval heeft de Svb onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene gedurende het tweede halfjaar van 2011 geen duurzame banden van persoonlijke aard meer had met Nederland, of dat zij niet een substantieel gedeelte van haar werkzaamheden in Nederland verrichtte. Dat betrokkene en haar partner in 2013 op een website stelden al jaren een B&B in Spanje te runnen, doet hieraan niet af, nu op de diverse websites een ander als gastheer wordt aangeduid. Geoordeeld wordt dat de Svb het recht op kinderbijslag van betrokkene over het jaar 2011 ten onrechte heeft herzien.

4.10.

Vanaf het eerste kwartaal van 2012 is niet langer sprake van een duurzame band van persoonlijke aard van betrokkene met Nederland. Reeds vanaf het begin van de sabbatical hadden zij en haar partner de intentie, een plaats op het Iberisch Schiereiland te zoeken waar zij zich definitief zouden kunnen vestigen. Uit het dossier blijkt dat zij in maart 2013 de boekingssite [site] in gebruik hadden, waar een groot aantal verblijfadressen en excursies in de Spaanse Pyreneeën kon worden geboekt. Aannemelijk is, dat betrokkene en haar partner in ieder geval vanaf het begin van 2012 gericht zijn geweest op Spanje en, zoals zij zelf ook hebben aangegeven, een belangrijk deel van hun tijd hebben besteed aan het zoeken van geschikte verblijfadressen en excursies. In dit verband is mede van belang dat de werkzaamheden voor hun overige webwinkels voor het overgrote deel konden worden verricht vanuit de plaats waar betrokkene en haar partner zich bevonden.

Vanaf begin 2012 moet er dan ook van worden uitgegaan dat betrokkene haar normale woonplaats had in Spanje, waar het gewone centrum van haar belangen zich bevond. De herziening van het recht op kinderbijslag over 2012 en het eerste kwartaal van 2013 heeft dan ook op goede gronden plaatsgevonden.

4.11.

Gelet op het in 4.1 tot en met 4.10 overwogene, heeft de Svb de kinderbijslag van betrokkene over het jaar 2011 ten onrechte herzien. Over het jaar 2012 en het eerste kwartaal van 2013 berust de herziening op goede gronden. In het kader van een finale geschilbeslechting zal de Raad zelf bepalen dat betrokkene over geheel 2011 recht heeft op kinderbijslag. Dit leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij aan de Svb is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de Svb een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen;

  • -

    herroept het besluit van 4 juli 2013 in die zin dat het recht op kinderbijslag van betrokkene wordt beëindigd met ingang van januari 2012;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) A.M.C. de Vries

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

UM