Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/3943 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene en zijn partner hebben gekozen voor een zakelijke regeling, waaruit blijkt van het zorgdragen voor elkaars – huidige en toekomstige – financiële situatie. Dit alles staat in de weg aan de conclusie dat betrokkene en zijn partner op en na 1 oktober 2013 ieder een eigen leven leidden als waren zij ongehuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3943 AOW

Datum uitspraak: 3 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 mei 2015, 14/3461 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. de Vries, notaris, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017. Namens de Svb is

mr. M. Sturmans verschenen. Betrokkene is in persoon verschenen bijgestaan door

mr. J.M. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene ontving vanaf 27 november 2012 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een ongehuwde. In september 2013 is betrokkene een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam partner].

1.2.

Bij besluit van 15 november 2013 heeft de Svb het ouderdomspensioen van betrokkene met ingang van oktober 2013 herzien naar het pensioen voor een gehuwde. Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De Svb heeft vervolgens aan betrokkene en zijn partner verzocht om het formulier ‘Onderzoek woonsituatie’ in te vullen.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 28 april 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. De Svb heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in de situatie van betrokkene en zijn partner geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, nu zij zes à zeven keer per maand contact met elkaar hebben en gesteld noch gebleken is dat deze contacten van zakelijke aard zijn.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 15 november 2013 herroepen, met bepalingen over de vergoeding van wettelijke rente, griffierecht en proceskosten.

3. De Svb is in hoger beroep gekomen. Daarbij is gesteld dat gezien de contacten tussen betrokkene en zijn partner, zoals die blijken uit de door hen ingevulde formulieren, geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat betrokkene op en na 1 oktober 2013 aangemerkt moet worden als duurzaam gescheiden levend als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

4.2.

Artikel 1, derde lid, van de AOW luidt:
‘3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.’

4.3.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Voorts kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap – zoals in dit geval – de betrokkenen de intentie hebben om – al dan niet in een echtelijke samenleving – voor elkaar zorg te dragen, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt (vergelijk ook ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340 en ECLI:NL:CRVB:2004:AO6231).

4.4.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven van betrokkene en zijn partner, wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld, waarbij betrokkene wordt aangeduid als eiser en de Svb als verweerder:

12. Op het vragenformulier “Onderzoek woonsituatie” heeft eiser ingevuld dat hij en zijn partner nooit op hetzelfde adres hebben gewoond en ook in de toekomst niet op één adres zullen gaan wonen, dat zij geen sleutel van elkaars woning hebben, dat zij zes keer per maand contact met elkaar hebben, dat zij niet samen op vakantie gaan, dat zij samen geen activiteiten ondernemen, dat zij elkaar niet verzorgen bij ziekte, dat zij geen gezamenlijke bankrekening hebben, dat zij geen gemachtigden zijn van elkaars bankrekening, dat hij geen bijdrage levert in de kosten voor het levensonderhoud van zijn partner en dat zij een levensverzekering op elkaars leven hebben afgesloten. De partner van eiser heeft op het aan haar toegezonden vragenformulier “Onderzoek woonsituatie” ingevuld dat zij en eiser nooit op hetzelfde adres hebben gewoond en ook in de toekomst niet op één adres zullen gaan wonen, dat zij geen sleutel van elkaars woning hebben, dat zij zeven keer per maand contact met elkaar hebben, dat zij niet samen op vakantie gaan, dat zij elkaar verzorgen bij ziekte, maar dat dit nog niet is gebeurd (“nog niet van toepassing”), dat zij geen gezamenlijke bankrekening hebben, geen gemachtigde van elkaars bankrekening zijn, dat zij geen bijdrage levert in de kosten voor het levensonderhoud van eiser en dat eiser wel een levensverzekering heeft afgesloten, maar zij niet.

13. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij en zijn partner het geregistreerd partnerschap zijn aangegaan omdat hij wil dat zijn erfenis na zijn overlijden bij zijn partner terecht komt. Uit fiscaal oogpunt is een geregistreerd partnerschap gunstiger dan een testament. Verder heeft eiser verklaard dat hij en zijn partner ieder een eigen woning en een eigen inkomen hebben en dat ze op verschillende tijden werken. Ze zien elkaar onregelmatig. De enige momenten dat ze elkaar zien, is wanneer eiser na zijn werk ’s avonds bij zijn partner langsgaat en blijft slapen. Daarnaast is er af en toe contact via sms. Soms zien ze elkaar maanden niet en dan weer één keer per week of zes keer per maand. Omdat op het vragenformulier een getal ingevuld moest worden, heeft hij zes keer per maand ingevuld. Vaak is dat echter minder. Ze zien elkaar ongeveer 40 keer per jaar. Ze eten zelden samen, doen geen boodschappen samen en delen daarvan niet de kosten. Ze ondernemen niets met zijn tweeën. Ze gaan nooit samen ergens heen, ook niet naar restaurants of naar familie of vrienden, aldus eiser.

4.5.

Op grond van de gedingstukken, hetgeen ter zitting is verklaard en de onder 4.4 genoemde omstandigheden moet geconcludeerd worden dat van een uitzonderingssituatie als hiervoor onder 4.3 bedoeld in dit geval geen sprake is. Hierbij is ten eerste van belang dat betrokkene en zijn partner, blijkens de verklaringen van betrokkene, al vele jaren een liefdesrelatie hebben, dat zij elkaar met enige regelmaat zien en dat betrokkene dan ook bij zijn partner blijft slapen. Verder heeft betrokkene een levensverzekering afgesloten ten behoeve van zijn partner en wenst hij zijn erfenis na te laten aan zijn partner. Omdat een geregistreerd partnerschap belastingtechnisch gunstiger uitwerkt dan een testament om te regelen dat de nalatenschap aan zijn partner ten goede zal komen, heeft betrokkene gekozen voor het geregistreerd partnerschap. Aldus hebben betrokkene en zijn partner gekozen voor een zakelijke regeling, waaruit blijkt van het zorgdragen voor elkaars – huidige en toekomstige – financiële situatie. Dit alles staat in de weg aan de conclusie dat betrokkene en zijn partner op en na 1 oktober 2013 ieder een eigen leven leidden als waren zij ongehuwd.

4.6.

Het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) A.M.C. de Vries

Tegen uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD