Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
16/2464 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De intrekking voor een substantieel deel van de toestemming tot verrichten nevenwerkzaamheden, staat in rechte vast. Blijven verrichten nevenwerkzaamheden niet betwist. Plichtsverzuim. Omstandigheden. Relativeren aard en ernst plichtsverzuim dusdanig dat straf van disciplinair ontslag onevenredig is. Ter zitting heeft appellant meegedeeld dat hij zich, gegeven alle omstandigheden, kan vinden in de subsidiaire ontslaggrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2464 AW

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 maart 2016, 14/5880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P.W. Steuten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Steuten. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.F.Th. de Moor, advocaat, A.M. van der Maale en J.M.J. van Oorschot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 1 oktober 1979 werkzaam bij arbeidsintegratiebedrijf LétÉ, de rechtsvoorganger van Orionis Walcheren (Orionis), laatstelijk als [naam functie] voor

18 uur per week.

1.2.

Bij besluit van 1 maart 2005 is aan appellant, op grond van de toenmalige Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Middelburg, toestemming verleend voor het oprichten van een eigen onderneming die ten doel heeft om diensten te verlenen op het gebied van onder andere [inhoud nevenwerkzaamheden] . Aan deze toestemming zijn voorwaarden verbonden.

1.3.

Arbeidsintegratiebedrijf LétÉ en de sociale dienst Walcheren, waarvan de kredietbank Walcheren onderdeel was, zijn met ingang van 1 januari 2012 opgegaan in de organisatie Orionis. Als gevolg van deze fusie is appellant met ingang van 1 januari 2012 als ambtenaar in dienst gekomen van Orionis.

1.4.

Tijdens een gesprek op 21 december 2012 heeft de directeur van Orionis appellant te kennen gegeven dat hij per 1 januari 2013 moet stoppen met zijn nevenwerkzaamheden omdat sprake is van belangenverstrengeling. Op 7 januari 2013 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. Nadat het dagelijks bestuur het voornemen hiertoe kenbaar had gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 11 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2013, de bij besluit van 1 maart 2005 verleende toestemming in zoverre ingetrokken dat appellant geen nevenwerkzaamheden, bestaande uit [inhoud nevenwerkzaamheden] , binnen het verzorgingsgebied van Orionis mag verrichten. Het is appellant toegestaan binnen dit verzorgingsgebied werkzaamheden uit hoofde van [onderdeel nevenwerkzaamheden] te verrichten, voor zover deze werkzaamheden niet worden uitgevoerd ten behoeve van medewerkers en klanten van Orionis. Appellant heeft een termijn van aanvankelijk twee maanden, in bezwaar gewijzigd in acht maanden, te rekenen vanaf 18 januari 2013, gekregen om de nevenwerkzaamheden die daarmee in strijd zijn te beëindigen. Appellant is erop gewezen dat hij zich schuldig maakt aan plichtsverzuim indien hij nalaat voornoemde nevenwerkzaamheden binnen de overgangstijd te beëindigen. Bij uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 februari 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:890) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 mei 2013 ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld.

1.5.

Nadat tijdens een gesprek op 17 september 2013 bleek dat appellant nog ongeveer

60 cliënten zou moeten overdragen, maar hiertoe geen mogelijkheden zag, heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van 19 september 2013 met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de dienst en de toegang tot de gebouwen en terreinen van Orionis ontzegd. Bij besluit van 1 november 2013 heeft het dagelijks bestuur de schorsing van appellant ingetrokken en aan appellant met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend voor de duur van één maand. Appellant diende in deze periode de dienstverlening aan zijn cliënten te beëindigen. Voorts is aan hem meegedeeld dat indien hij hieraan niet voldoet het dagelijks bestuur voornemens is appellant ontslag te verlenen wegens plichtsverzuim.

1.6.

Nadat het dagelijks bestuur zijn voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 28 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2014 (bestreden besluit), appellant met onmiddellijke ingang primair disciplinair ontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim op grond van artikel 8:13 en artikel 16:1:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling van Orionis Walcheren, en subsidiair ongeschiktheidsontslag op grond van het bepaalde in

artikel 8:6, eerste lid, van deze regeling. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant werkzaamheden is blijven verrichten die behoren tot de in het besluit van 17 mei 2013 genoemde verboden nevenwerkzaamheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Met het onherroepelijk worden van de in 1.4 genoemde uitspraak van de rechtbank van Zeeland-West-Brabant van 13 februari 2014 staat de intrekking, voor een substantieel gedeelte als in 1.4 beschreven, van de aan appellant verleende toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden in rechte vast. Wat appellant hierover heeft aangevoerd kan thans niet meer aan de orde komen. Dat hij deze nevenwerkzaamheden is blijven verrichten, wordt door hem niet betwist. Deze gedraging valt te kwalificeren als plichtsverzuim.

3.2.

Het betoog van appellant dat de disciplinaire maatregel van strafontslag in de gegeven omstandigheden onevenredig is aan de aard en de ernst van dit plichtsverzuim slaagt. De Raad overweegt hiertoe dat appellant gedurende 34 jaar naar tevredenheid bij (de rechtsvoorganger van) Orionis werkzaam is geweest. Vanaf 2005 heeft hij deze werkzaamheden gecombineerd met meergenoemde nevenwerkzaamheden binnen een door hem opgerichte onderneming. De tijdsverdeling tussen beide was 50/50, zodat appellant een substantieel deel van zijn maandelijkse inkomen uit zijn nevenwerkzaamheden ontving. Noch de werkzaamheden van appellant uit hoofde van zijn ambtelijke aanstelling, noch die uit hoofde van zijn eigen onderneming zijn gewijzigd als gevolg van de fusie waaruit Orionis per 1 januari 2012 is ontstaan. Het ontstane risico van belangenverstrengeling had uitsluitend te maken met het als gevolg van de fusie in één hand geraken van werkstromen die tot dan toe gescheiden waren. Aldus is volledig buiten de invloedssfeer van appellant om een situatie ontstaan die ertoe heeft geleid dat de aan hem verleende toestemming voor zijn nevenwerkzaamheden grotendeels moest worden ingetrokken. Hoewel in een geval als dit de ambtelijke aanstelling mag prevaleren, moet wel worden geconstateerd dat het dagelijks bestuur vanuit een oogpunt van goed werkgeverschap eind 2012, begin 2013 weinig zorgvuldig heeft geopereerd, door in te zetten op het op zeer korte termijn beëindigen door appellant van het grootste gedeelte van de nevenwerkzaamheden en door niet te zoeken naar een oplossing waarbij recht werd gedaan aan de kwetsbare groep cliënten van appellant en de financiële situatie die voor hem zou ontstaan door het verlies van een groot deel van zijn cliëntenbestand. Daardoor is de situatie tussen appellant en het dagelijks bestuur al in een vroeg stadium onnodig verhard. Appellant heeft vanaf het moment dat hem werd voorgehouden dat de verleende toestemming zou worden ingetrokken volgehouden dat zijn cliënten behoren tot de meest zwakke van de samenleving en dat hij zich dusdanig verantwoordelijk voor hen voelt dat hij zijn dienstverlening naar hen toe niet zonder meer kan stopzetten. Voorts heeft appellant pogingen ondernomen zijn cliënten over te dragen aan andere instellingen. Hij heeft aangevoerd dat dit, mede door een gebrek aan instellingen in de regio waar soortgelijke dienstverlening wordt verleend, niet is gelukt. De hier geschetste omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, leiden ertoe dat de aard en de ernst van het plichtsverzuim dusdanig moeten worden gerelativeerd dat de straf van disciplinair ontslag daaraan onevenredig is te achten.

3.3.

Ter zitting van de Raad heeft appellant meegedeeld dat hij zich, gegeven alle omstandigheden, kan vinden in de subsidiaire ontslaggrond, te weten ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit betekent dat deze ontslaggrond geen verdere bespreking behoeft.

3.4.

Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren. Gelet op wat in 3.3 is vermeld zal de Raad het bestreden besluit van 22 augustus 2014 vernietigen voor zover daarbij het strafontslag is gehandhaafd en het besluit van

28 februari 2014 in zoverre herroepen.

4. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 80,20 aan reiskosten in beroep en hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 augustus 2014 voor zover

daarbij het aan appellant verleende disciplinair ontslag is gehandhaafd;

- herroept in zoverre het besluit van 28 februari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre

in de plaats treedt van het besluit van 22 augustus 2014;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 416,- vergoedt;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.050,20.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD