Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
15/8390 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Ernstig plichtsverzuim bestaande uit de ontvreemding van een aan Defensie toebehorende telefoon. Gehouden aan verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8390 MAW

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

19 november 2015, 14/3387 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.G. Dudink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dudink. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. van der Weijden en T.H.T. van de Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie, tot oktober 2013 als commandant autopatrouille op het terrein van het [locatie 1] en vanaf oktober 2013 als hoofdbeveiliger op [locatie 2] . In september 2013 is appellant bevorderd tot wachtcommandant.

1.2.

Op 17 december 2013 heeft de Koninklijke Marechaussee (KMar) appellant aangehouden op verdenking van diefstal van een aan het Ministerie van Defensie (Defensie) toebehorende mobiele telefoon van het merk Blackberry.

1.3.

Bij besluit van 23 december 2013 is appellant met ingang van die datum geschorst met toepassing van artikel 109, tweede lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard).

1.4.

Nadat de minister het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 13 maart 2014 appellant met toepassing van artikel 100, eerste lid, aanhef en onder l, van het Bard per 13 maart 2014 de straf van ontslag opgelegd. Appellant is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim bestaande uit de ontvreemding van een aan Defensie toebehorende telefoon.

1.5.

Bij besluit van 22 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen het besluit van 13 maart 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft de minister het standpunt ingenomen dat uitgegaan wordt van de juistheid van de verklaring die appellant op 17 december 2013 heeft afgelegd en dat aan zijn verklaring van 19 december 2013 geen waarde wordt gehecht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant op het [locatie 1] een telefoon heeft verkregen, die hij vervolgens heeft doorverkocht aan zijn neef. Deze telefoon is bij de neef van appellant in beslag genomen. Het is onaannemelijk dat het niet zou gaan om de Blackberry telefoon die is ontvreemd bij kapitein N. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant kan worden gehouden aan de eerste verklaring die hij tegenover de KMar heeft afgelegd, nu hij niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat deze verklaring niet juist kan zijn. Deze eerste verklaring hield in dat hij tijdens een nachtdienst in de internetruimte van het slaapgebouw van het [locatie 1] een Blackberry telefoon heeft gevonden, die heeft meegenomen en later aan zijn neef heeft verkocht voor € 50,-. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat appellant een telefoon toebehorend aan Defensie heeft weggenomen. Appellant heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan appellant is toe te rekenen, was de minister bevoegd om een disciplinaire maatregel te nemen. Gelet op de aard van de verweten gedraging in relatie tot de functie van appellant heeft de rechtbank het opgelegde strafontslag niet onevenredig zwaar geacht in verhouding tot het verweten ernstige plichtsverzuim.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een aan Defensie toebehorend goed. Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn eerste verklaring in blinde paniek heeft afgelegd en dat moet worden uitgegaan van zijn tweede verklaring, inhoudende dat hij de Blackberry telefoon voor € 135,- heeft gekocht van een onbekende persoon die op het [locatie 1] rondliep en deze later voor € 50,- heeft doorverkocht aan zijn neef. Appellant heeft verder gesteld dat de straf van ontslag onevenredig is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1002) mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van de eerst afgelegde verklaringen die zijn opgenomen in een door opsporingsambtenaren op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, en komt in het algemeen aan het achteraf intrekken van een dergelijke verklaring minder betekenis toe. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als degene die de verklaring heeft afgelegd, met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat de betreffende verklaring niet juist kan zijn.

4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant kan worden gehouden aan de eerste verklaring die hij direct na zijn aanhouding tegenover de KMar heeft afgelegd. Appellant heeft niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van een paniekreactie een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Bij dit oordeel is het volgende van belang. Appellant was ruim een week voor zijn aanhouding op de hoogte van het feit dat de telefoon bij zijn neef in beslag was genomen en dat zijn neef was gehoord door de KMar. In verband hiermee heeft hij juridisch advies ingewonnen. Niet aannemelijk is daarom dat hij zijn eerste verklaring in blinde paniek heeft afgelegd. Verder heeft appellant in zijn eerste verklaring concrete en gedetailleerde informatie gegeven over de (verkrijging

van de) mobiele telefoon en zijn er geen aanknopingspunten voorhanden om niet uit te gaan van de juistheid van deze verklaring. Voorts acht de Raad niet aannemelijk dat appellant, met het oog op het veilig stellen van zijn carrière, een verklaring heeft afgelegd over het ontvreemden van een mobiele telefoon die voor hem meer belastend is dan de verklaring dat hij die telefoon heeft gekocht van een onbekende. Ten slotte heeft appellant de juistheid van zijn tweede verklaring op geen enkele wijze onderbouwd.

4.3.

Aan het gegeven dat de politierechter appellant vrijspraak heeft verleend kan de Raad niet de door appellant bepleite betekenis hechten. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarenrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot een disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de eerste verklaring van appellant met een voldoende mate van zekerheid is af te leiden dat appellant een telefoon van Defensie heeft weggenomen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de telefoon die in beslag is genomen bij de neef van appellant getraceerd is via het IMEI-nummer ervan en dat dit nummer overeenkomt met het IMEI-nummer in de aangifte van diefstal van een telefoon van Defensie. Dat in de aangifte enkele onjuistheden staan, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.4.

De minister heeft de verweten gedraging terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Nu niet gebleken is dat het plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend, was de minister bevoegd hem daarvoor een disciplinaire straf op te leggen.

4.5.

Gezien de aard van de gedraging in relatie tot de functie van de appellant en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan medewerkers van Defensie, is de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De door appellant aangevoerde feiten waaronder zijn lange en goede staat van dienst en de vrijspraak in de strafzaak, kunnen niet afdoen aan de evenredigheid van de straf. De privéomstandigheden waarin appellant ten tijde van de hem verweten gedraging verkeerde, leiden evenmin tot een ander oordeel.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.L. van den IJssel

HD