Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
16/3557 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3557 AW

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 april 2016, 15/8729 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.G.J. Horlings hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Horlings. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G. Revet en A. van Geel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2000 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van Generalist GGP.

1.2.

Nadat de korpschef het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze daarop naar voren had gebracht, heeft de korpschef bij besluit van 17 april 2015 appellant met ingang van 1 juni 2015 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94,

eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat appellant structureel op onjuiste wijze invulling geeft aan de voorbeeldfunctie van politieambtenaar, ondanks dat hij op zijn gedrag is aangesproken en een formele waarschuwing heeft gehad. De korpschef heeft hierbij verwezen naar het illegaal pokeren door appellant in [horecagelegenheid] , de overplaatsing van appellant naar aanleiding van dit incident van team [team 1] naar team [team 2] , de situatie waar appellant zich in dronken toestand ophield in een horecagelegenheid en de schriftelijke waarschuwing van 17 maart 2014 die appellant in verband daarmee heeft gekregen. Daarnaast heeft de korpschef de volgende incidenten waarbij appellant betrokken was in aanmerking genomen: het niet melden van nevenwerkzaamheden, de wijze van afhandelen van een drugsmelding betreffende een minderjarige, het onderhouden van privé-contacten met een slachtoffer van huiselijk geweld die zelf antecedenten op haar naam heeft staan, de handelwijze rond een melding over een onwel geworden persoon en het delen van privé-informatie met een bij de politie als crimineel bekend staande persoon.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft de korpschef, in afwijking van het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM van 28 augustus 2015, het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2015 ongegrond verklaard. De korpschef heeft het ontslag gehandhaafd en daaraan nog een extra gedraging ten grondslag gelegd, namelijk een incident op 6 september 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef zich op grond van alle in het bestreden besluit genoemde gedragingen terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de eigenschappen, mentaliteit en instelling mist die nodig zijn voor een goede vervulling van zijn functie. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat aan appellant voldoende verbeterkans is geboden.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3254) moet het bestuursorgaan ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn - aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

3.2.

Om te concluderen tot het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn, is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1548.

3.3.

De Raad stelt vast dat de in 1.2 genoemde gedragingen door appellant niet worden ontkend. Hij is echter van mening dat deze gedragingen uit de context zijn gehaald en daardoor op onjuiste waarde zijn geschat. Volgens appellant zijn het geen ernstige incidenten die het ontslag rechtvaardigen. Appellant heeft voorts betoogd dat het incident op 6 september 2015 heeft plaatsgevonden nadat aan hem ontslag was verleend en daarom niet aan het ontslag ten grondslag kan worden gelegd.

3.4.

Het betoog van appellant met betrekking tot het incident op 6 september 2015 slaagt. Dat incident heeft plaatsgevonden na het besluit tot en het ingaan van het ontslag. Het kan niet mede dienen ter onderbouwing van de conclusie dat appellant ongeschikt is te achten voor zijn functie, nu hij die functie op dat moment al niet meer vervulde. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.5.

Niettemin is de Raad van oordeel dat de overige, in 1.2 genoemde, gedragingen reeds voldoende feitelijke grondslag vormen om appellant ongeschikt te achten voor de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting rijst het beeld op dat appellant er structureel niet in is geslaagd de door een politieambtenaar in acht te nemen grenzen te bewaken, als gevolg waarvan hij deze grenzen meermaals heeft overschreden. De Raad verwijst in dit verband naar de reeks van incidenten waarbij appellant betrokken is geweest, waaronder de situatie in een horecagelegenheid waarbij appellant onder invloed van alcohol was, het delen van privé-informatie met een bij de politie als crimineel bekend staande persoon, de wijze van afhandeling van een drugsmelding van een minderjarige en de situatie rondom een melding van een onwel geworden persoon. In laatstgenoemde situatie vroeg appellant, nadat hij 112 had gebeld voor een vriend die door GHB-gebruik onwel was geworden, aan een collega die ter plekke verscheen hem buiten die melding te houden. Appellant bagatelliseert bovendien de gedragingen en de gevolgen hiervan op een wijze waaruit blijkt dat hij niet beschikt over het vereiste inzicht in de veiligheidsrisico’s die aan zijn gedragingen verbonden zijn. Appellant lijkt evenmin te beseffen dat hij door het gedrag dat hij vertoont schade kan berokkenen aan het imago van de politie. Appellant toont zich daarmee onvoldoende bewust van de voorbeeldfunctie die hij als politieambtenaar vervult. Dit blijkt voorts uit de omstandigheid dat appellant geregeld zijn eigen normenpatroon stelt boven de visie van de dienst en dat hij op ongelegen momenten, zoals in de operationele situatie waar het ging om de afhandeling van de drugsmelding van een minderjarige, er niet voor schuwt de discussie met collega’s aan te gaan.

3.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

3.7.

Het betoog van appellant dat hem onvoldoende verbeterkans is geboden slaagt niet. Appellant is verscheidene keren op zijn gedrag aangesproken. Bij de schriftelijke waarschuwing van 17 maart 2014 en tijdens het gesprek op 7 april 2014 is appellant nadrukkelijk gewezen op zijn voorbeeldfunctie. Teneinde appellant zich meer bewust te laten worden van de voorbeeldfunctie die hij vervult, heeft de korpschef appellant opgedragen in gesprek te gaan met K, Adviseur Veiligheid en Integriteit, om aldus zijn gedrag te evalueren en te verbeteren. Voorts is appellant aangezegd dat in functioneringsgesprekken aan de invulling van de voorbeeldfunctie expliciet aandacht zal worden besteed en is appellant opgedragen dilemma’s ter bespreking aan te dragen. Voorts hebben op 8 december 2014,

21 januari 2015 en 6 maart 2015 gesprekken met appellant plaatsgevonden naar aanleiding van incidenten. Ook zijn, zo heeft de gemachtigde van de korpschef ter zitting onweersproken gesteld, de voorbeeldfunctie en de consequenties daarvan voor het privéleven van een politieambtenaar in zijn algemeenheid besproken. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat appellant meermaals de gelegenheid heeft gehad zijn houding en gedrag te verbeteren en in lijn te brengen met wat vereist is voor een goede functievervulling door een politieambtenaar. Appellant is daarmee voldoende verbeterkans geboden.

3.8.

De korpschef was dus bevoegd om appellant met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp, eervol te ontslaan. De persoonlijke omstandigheden van appellant bieden geen grond voor het oordeel dat de korpschef niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.9.

Uit wat is overwogen in 3.1 tot en met 3.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, gelet op wat is overwogen in 3.4, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD