Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
15/1826 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1520, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5469, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Per fax ingediende aanvraag gecompleteerd met later ingevuld aanvraagformulier vormt één aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1826 WWB

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 6 maart 2015, 15/953 en 15/954 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C. Avedissian.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij faxbericht van 18 december 2013 gericht aan het Uwv Werkplein/gemeente Rotterdam, afdeling bijstand, heeft mr. Karkache namens appellant het volgende medegedeeld: “[Appellant] heeft nog enkele zaken bij u openstaan inzake de aanvraag om bijstand. Er is gebleken dat de IND bij besluit d.d. 18-12-2013 een verblijfsvergunning heeft verleend. Er is geen beletsel meer om hem niet in aanmerking te laten komen voor een uitkering ingevolge de WWB. (…) Onderhavig verzoek kunt u aanmerken als een aanvraag in de zin van de Awb jo de WWB. Van uw dienst is bij mij geen faxnummer bekend. Derhalve stuur ik deze fax naar de afdeling juridische zaken van de gemeente Rotterdam, die voor doorzending zullen zorgdragen”.

1.2.

Appellant heeft op 11 februari 2014 digitaal het formulier “Aanvraag bijstandsuitkering WWB” (aanvraagformulier) ingediend.

1.3.

Bij faxbericht van 19 mei 2014 heeft mr. Karkache namens appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig beslissen op de aanvraag van 18 december 2013.

1.4.

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft het college de aanvraag van appellant van 11 februari 2014 afgewezen. Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2014 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de bezwaargronden. Bij uitspraak van 16 december 2014 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het college heeft naar aanleiding van de ingebrekestelling van 19 mei 2014 bij besluit van 6 juni 2014 (dwangsombesluit) vastgesteld dat het geen dwangsom wegens niet-tijdig beslissen aan appellant verschuldigd is, omdat bij besluit van 21 mei 2014, zijnde binnen twee weken na de datum van evengenoemde ingebrekestelling, op de aanvraag is beslist. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.6.

Namens appellant is beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen op de aanvraag van 18 december 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat geen sprake is van niet (tijdig) beslissen op de aanvraag van

18 december 2013 omdat die aanvraag is gecompleteerd met het ingevulde aanvraagformulier dat op 11 februari 2014 door het college is ontvangen. Aldus is geen sprake van aparte aanvragen waarop aparte procedures zijn gevolgd. Bij besluit van 21 mei 2014 is reeds op de aanvraag van appellant beslist. Verweerder was daarom niet gehouden nog apart op een aanvraag van 18 december 2013 te beslissen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat er sprake is van twee aanvragen en dat het college ten onrechte heeft nagelaten op de aanvraag van 18 december 2013 te beslissen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.2.

Ingevolge artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de aanvraag ondertekend en bevat deze ten minste:

a. de naam en het adres van de aanvrager;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

4.3.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de WWB is de aanvraag gericht tot het college en wordt deze overeenkomstig artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij het Uwv. Na overdracht van de aanvraag door het Uwv aan het college wordt de aanvraag verder behandeld door het college.

4.4.

Vaststaat dat het faxbericht van 18 december 2013 een aanvraag is in de zin van

artikel 1:3 van de Awb. Het faxbericht van 18 december 2013 bevatte niet het adres van appellant en was niet ingediend op het daartoe bestemde formulier, zodat de aanvraag van

18 december 2013 incompleet was. Met het op 11 februari 2014 ingediende aanvraagformulier heeft appellant die omissie hersteld en vervolgens heeft het college op de aanvraag beslist. Dit sluit aan bij de omstandigheid dat appellant op het aanvraagformulier als gewenste ingangsdatum 1 december 2013 heeft vermeld en daarbij heeft toegelicht: “Mijn advocaat heeft (…) ook schriftelijk op die datum (…) aangevraagd”. De omstandigheid dat het college hangende de aanvraag in zijn correspondentie aan appellant en in zijn besluit van 21 mei 2014 niet de datum van 18 december 2013 heeft genoemd, maar alleen als aanvraagdatum 11 februari 2014 heeft vermeld, maakt niet dat het hier niet gaat om één aanvraag waarop reeds bij besluit van 21 mei 2014 is beslist.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) S.A. de Graaff

HD