Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
15/2682 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Kosten inrichting. Betrokkene had kunnen reserveren. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2682 WWB

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 maart 2015, 14/6643 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Namens appellant is verschenen mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 6 november 2013, met een onderbreking in de periode van 1 mei tot en met 13 mei 2014 waarin hij bijstand als dakloze ontving, bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2.

In verband met een verhuizing vanuit de maatschappelijke opvang naar een nieuwe huurwoning op 20 januari 2014 heeft het college op daartoe strekkende aanvragen bij afzonderlijke besluiten van 31 januari 2014 aan appellant bijzondere bijstand verleend voor de kosten van verhuizing ten bedrage van € 628,- en de kosten voor huisraad of inrichtingskosten (bed, matras, lakens, kussens, kastje) ten bedrage van € 420,-. De bijzondere bijstand voor de kosten van huisraad en inrichtingskosten is verleend in de vorm van een lening.

1.3.

Appellant heeft op 30 april 2014 bij de politie aangifte gedaan van diefstal van goederen die in de woning stonden die hij tussen 20 januari 2014 en 18 februari 2014 huurde. Volgens de aangifte van appellant is de woning ontruimd en zijn de goederen in de woning achtergebleven.

1.4.

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het college aan appellant langdurigheidstoeslag verleend over het jaar 2014 ten bedrage van € 238,-. Hierbij heeft het college vermeld dat appellant vrij is de langdurigheidstoeslag te besteden zoals appellant dat wil, maar dat het college adviseert dit bedrag te besteden aan vervanging van huisraad, omdat voor die kosten in principe geen bijzondere (leen) bijstand wordt verstrekt.

1.5.

Op 23 mei 2014 heeft appellant in verband met de huur van een andere woning bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van dekens, een donsdek, een matras(overtrek), hoofdkussens, een pannenset, een magnetron en bestek (inrichtingskosten), alsmede voor de kosten van eerste huur en een waarborgsom. Bij besluit van 25 juni 2014 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand verleend voor de kosten van eerste huur en een waarborgsom in de vorm van een geldlening ten bedrage van € 725,-. Hierbij heeft het college vermeld dat appellant volgens de regels van de gemeente geen draagkracht heeft. Bij afzonderlijk besluit van 25 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag voor de inrichtingskosten afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en moeten worden betaald uit het eigen inkomen. Niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze noodzakelijk zijn. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en of appellant de mogelijkheid heeft gehad daarvoor te reserveren.

4.3.

De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.4.

Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat uit het besluit van 25 juni 2014, waarbij het college bijzondere bijstand heeft toegekend voor de kosten van eerste huur en de waarborgsom, moet worden afgeleid dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van huisinrichting. Appellant ontving vanaf

6 november 2013, met een korte onderbreking in de periode van 1 mei tot en met 13 mei 2014, bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% en daarnaast heeft het college in maart 2014 aan appellant een langdurigheidstoeslag ten bedrage van

€ 238,- verstrekt. Appellant wordt dan ook geacht te hebben kunnen reserveren en hij heeft niet onderbouwd waarom hij dat niet kon. De beroepsgrond dat uit de eerdere toekenning van bijzondere bijstand bij het besluit van 31 januari 2014 moet worden opgemaakt dat appellant geen draagkracht had, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB. De gestelde omstandigheid dat de woning waar appellant per 20 januari 2014 verbleef, is ontruimd, zonder dat hij zijn inboedel kon meenemen, doet niet af aan de mogelijkheid van appellant om te reserveren.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) S.A. de Graaff

HD