Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:84

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
16/1233 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld zijn schorsing, ontzegging van toegang alsmede verlenging daarvan niet als te verstrekkende maatregelen aan te merken. Omdat appellante opzettelijk heeft nagelaten per 23 september 2014 haar betrekking te vervullen, heeft college mogen besluiten de doorbetaling van bezoldiging stop te zetten. College heeft bij opleggen van ordemaatregelen niet te lang gewacht en onmiddellijk dienstbelang was nog aanwezig. Genoegzaam is vast komen te staan dat verhoudingen met appellante ernstig waren verstoord en dat handhaving bij de gemeente niet meer mogelijk was. Ontslag van appellante is grotendeels aan haarzelf te wijten, college heeft nawettelijke uitkering kunnen weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1233 AW, 16/1234 AW, 16/2694 AW, 16/2695 AW

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

12 januari 2016, 15/1389 en 15/2211 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [naam gemeente] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Britstra hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.J.C. Vercammen een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Door appellante zijn een zienswijze en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Britstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vercammen en mr. B. Schellingerhout.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, sinds 1 juni 2002 in dienst van de gemeente [naam gemeente] , was laatstelijk werkzaam als [naam functie 1] Voorts was zij lid van de OR en trad zij op als vakbondsconsulent.

1.2.

Op 11 juni 2014 is appellante door de netwerkmanager SSC aangesproken op de inhoud en toon van de berichten die zij heeft geplaatst op het intranet van de gemeente [naam gemeente] , [naam website] . Zij heeft de berichten vervolgens verwijderd.

1.3.

In verband met de wijze waarop appellante in augustus 2014 op [naam website] berichten heeft geplaatst over collega’s, management en de OR is zij bij besluit van 28 augustus 2014 met toepassing van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Lokale arbeidsvoorwaardenregeling (CAR/LAR) met onmiddellijke ingang in het belang van de dienst geschorst tot 15 september 2014.

1.4.

Bij besluit van 4 september 2014 heeft het college appellante op grond van artikel 15:1:19 van de CAR/LAR verboden om gedurende de periode van de schorsing de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen van de gemeente [naam gemeente] te betreden dan wel daar te verblijven.

1.5.

Nadat er op 16 september 2014 een gesprek tussen appellante en de netwerkmanager SSC heeft plaatsgevonden over haar houding en gedrag en vergeefs is getracht tot een werkbare oplossing te komen, zijn bij besluit van 19 september 2014 de schorsing en de ontzegging van de toegang verlengd tot en met 22 september 2014.

1.6.

Op 23 september 2014 heeft een vervolggesprek met appellante plaatsgevonden over de voorwaarden waaronder zij haar werk kon hervatten.

1.7.

Bij besluit van 24 september 2014 heeft het college aan appellante medegedeeld dat, nu de schorsing op 23 september 2014 is opgeheven, van haar wordt verwacht dat zij haar werkzaamheden hervat, ook al heeft zij bij het gesprek op 23 september 2014 aangegeven niet van plan te zijn om te komen werken. Voorts is medegedeeld dat zij geen bezoldiging ontvangt over de uren dat zij niet werkt, dat zij voor de niet gewerkte dagen

23 en 24 september 2014 verlof kan opnemen en dat, indien zij op 25 september 2014 niet op haar werk verschijnt, haar bezoldiging overeenkomstig 3:1:1, vierde lid, van de CAR/LAR wordt stopgezet.

1.8.

Naar aanleiding van het onder 1.7 genoemde besluit heeft appellante op 25 september 2014 aan de gemeentesecretaris en de HR-medewerker een e-mail gezonden waarin zij aangeeft dat zij zich niet kan vinden in de weergave van het gesprek van 23 september 2014 en dat zij er aan hecht mee te delen dat zij alle gesprekken heeft opgenomen omdat ervaringen uit het verleden haar helaas hebben geleerd dat sjoemelen met de waarheid tactiek is van de gemeente bij de opbouw van dossiers.

1.9.

Op 30 september 2014 is appellante op het werk verschenen en heeft een gesprek

plaatsgevonden over te maken werkafspraken. Appellante heeft in dat gesprek meteen te kennen gegeven dat zij geen afspraken gaat maken. Op 1 oktober 2014 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. In dat gesprek is haar medegedeeld dat er geen vertrouwen meer is in een goede samenwerking en dat zij tot aan het te nemen ontslagbesluit met onmiddellijke ingang is geschorst.

1.10.

Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft het college met toepassing van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/LAR bevestigd dat appellante op 1 oktober 2014 in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang is geschorst voor de resterende duur van haar dienstverband en haar verboden om gedurende die periode van schorsing de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen van de gemeente [woonplaats] te betreden dan wel daar te verblijven.

1.11.

Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 12 december 2014 appellante met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/LAR met ingang van 15 december 2014 eervol ontslag verleend. Aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding dan wel onverenigbaarheid van karakters, waardoor voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Daarbij is bepaald dat appellante aanspraak kan maken op een WW-uitkering en een aanvullende uitkering. Voorts is bepaald dat appellante geen aanspraak kan maken op een

nawettelijke uitkering omdat het ontslag overwegend is te wijten aan haar houding.

1.12.

Bij besluit van 17 februari 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college de besluiten van 28 augustus 2014, 4 september 2014, 19 september 2014, 24 september 2014 en 13 oktober 2014 na bezwaar gehandhaafd.

1.13.

Bij besluit van 7 april 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, de besluiten van 28 augustus 2014,

4 september 2014, 19 september 2014 en 13 oktober 2014 herroepen en bestreden besluit 2 vernietigd, voor zover daarbij het onthouden van een nawettelijke uitkering aan appellante is gehandhaafd. De rechtbank heeft aan appellante alsnog een nawettelijke uitkering toegekend.

3.1.

Het hoger beroep van appellante strekt ertoe dat de aangevallen uitspraak in zoverre wordt vernietigd dat het college niet bevoegd wordt geacht om vierenhalve verlofdag af te schrijven en evenmin bevoegd was om haar te ontslaan wegens verstoorde arbeidsverhoudingen.

3.2.

Het incidenteel hoger beroep van het college is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de ordemaatregelen te verstrekkend waren. Voorts kan het college zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de impasse mede door haar handelen is ontstaan en dat om die reden aan appellante een nawettelijke uitkering had moeten worden toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De eerste schorsingen, ontzegging van de toegang, alsmede de verlenging

4.1.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat een onmiddellijke schorsing en ontzegging van de toegang alsmede de verlenging daarvan niet als te verstrekkende maatregelen zijn aan te merken. Op 11 juni 2014 had reeds een gesprek met appellante

plaatsgevonden over de inhoud en toon van haar berichtgeving op [naam website] . Zij is toen verzocht zich te onthouden van opruiende teksten. Vervolgens heeft appellante in augustus 2014 berichten geplaatst over collega’s, management en de OR die als ongepast zijn aan te merken. Zo plaatste zij onder meer een bericht dat je beter geen kritiek op het doen of (na)laten van de gemeentesecretaris op [naam website] kunt uiten omdat dit je een (voornemen tot een) berisping kan opleveren. Voorts plaatste zij onder dit bericht een afbeelding met de tekst “Omdat wij denken dat u niet weet wat goed voor u is hebben wij deze afbeelding geblokkeerd. Graag gedaan”. Gelet op het feit dat appellante reeds op 11 juni 2014 was gewaarschuwd kon en moest appellante beseffen dat zij zich had te onthouden van dergelijke tendentieuze berichtgeving. Dat het college appellante heeft geschorst en de toegang tot de gebouwen heeft ontzegd om verdere onrust binnen de organisatie te voorkomen en om zich op de verder te nemen stappen richting appellante te beraden, wordt onder deze omstandigheden niet onredelijk geacht. Voor zover appellante door de ontzegging van de toegang niet in staat was haar OR-activiteiten voort te zetten, merkt de Raad nog op dat appellante hierover niet heeft geklaagd en zij het college evenmin heeft verzocht haar daartoe faciliteiten te bieden.

Het afschrijven van verlof

4.2.

Bij besluit van 19 september 2014 heeft het college de schorsing en de ontzegging van de toegang verlengd tot en met 22 september 2014. Van appellante mocht dan ook verwacht worden dat zij vanaf 23 september 2014 haar werk zou hervatten. Dit geldt temeer nu haar tijdens het gesprek op 23 september 2014 ook te kennen is gegeven dat zij haar werk moest hervatten en haar daarbij de consequenties zijn medegedeeld van niet hervatten. Dit is bij besluit van 24 september 2014 nogmaals aan appellante bevestigd. Nu appellante desondanks in strijd met haar verplichtingen opzettelijk heeft nagelaten met ingang van 23 september 2014 haar betrekking te vervullen, heeft het college mogen besluiten de doorbetaling van de bezoldiging stop te zetten. Dat het college vervolgens, na het hervatten van appellante in de middag van 30 september 2014, heeft volstaan met het afschrijven van viereneenhalve dag verlof, een minder bezwarende maatregel, kan het college dan ook niet worden tegengeworpen. Daarbij acht de Raad nog van belang dat appellante tijdens het gesprek op

30 september 2014 heeft ingestemd met het afschrijven van het verlof voor de niet gewerkte dagen voor het geval dat het besluit zou stand houden, hetgeen het geval is.

De tweede schorsing en ontzegging van de toegang

4.3.

Aan de schorsing en ontzegging van de toegang voor de resterende duur van het dienstverband heeft het college ten grondslag gelegd dat het plaatsen van beschadigende berichten op intranet, het ongevraagd opnemen van gesprekken en het niet instemmen met werkafspraken voor zoveel onrust en weinig vertrouwen zorgt dat er geen basis meer is voor een goede samenwerking. De Raad stelt voorop dat het college als werkgever bevoegd is werkinstructies te geven ter uitvoering van de werkzaamheden. Nu appellante zich niet heeft willen conformeren aan de werkafspraken en geen sturing van haar leidinggevende heeft willen aanvaarden, heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat het vertrouwen in het goede functioneren van appellante dermate was geschaad dat het dienstbelang vorderde dat zij werd geschorst. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college bij het opleggen van deze ordemaatregelen niet te lang heeft gewacht en een onmiddellijk dienstbelang nog aanwezig was. Daarbij acht de Raad van belang dat de schorsing reeds op

1 oktober 2014 mondeling aan appellante is medegedeeld.

Het ontslag

4.4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) ziet een ontslaggrond als hier aan de orde op de situatie dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

4.4.2.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting rijst het beeld op van een medewerker die weliswaar goed is in haar werkzaamheden, maar die niet in staat is haar taken als managementassistente, OR-lid en vakbondsconsulente te scheiden. Zij nam in haar werkomgeving een negatieve houding aan en er was sprake van ongepast gedrag, met name waar het de communicatie betrof. Zo liet appellante zich via intranet meerdere malen op niet gepaste wijze uit over het management, collega’s en OR, ook nadat zij was gemaand aard en toon van haar berichtgeving aan te passen. Appellante heeft bij herhaling laten zien dat zij moeite had om zich aan de ook voor haar geldende regels en afspraken te conformeren en om de sturing van haar leidinggevende te accepteren. Dat is onder meer gebleken uit het feit dat appellante bleef weigeren zich, juist ter voorkoming van verdere conflicten, aan werkafspraken te committeren en de juistheid daarvan in twijfel bleef trekken. Bij appellante was sprake van een diep geworteld wantrouwen tegenover het management hetgeen mede tot uiting kwam op het moment dat appellante aangaf alle gesprekken op te nemen. De toch al broze onderlinge verhoudingen heeft appellante daardoor onnodig nog meer op scherp gezet.

4.4.3.

Appellante heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er een verband bestond tussen haar OR-werkzaamheden of haar vakbondswerk en de kritiek die het college had op haar houding en gedrag of dat het college heeft beoogd het vertrek van appellante te

bewerkstelligen wegens haar melding van een integriteitsschending. Het arbeidsconflict is ontstaan door de manier waarop appellante zich in de arbeidsrelatie heeft opgesteld en gedragen.

4.4.4.

Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat genoegzaam is vast komen te staan dat de verhoudingen met appellante ernstig waren verstoord en dat handhaving van appellante bij de gemeente [naam gemeente] niet meer mogelijk was. Gelet op het vorenstaande was het college bevoegd appellante ontslag te verlenen op grond van artikel 8:8 van de CAR/LAR.

De nawettelijke uitkering

4.5.1.

Zoals de Raad eerder bij de toepassing van de CAR/UWO heeft geoordeeld (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216) geldt bij een ontslag op andere gronden als uitgangspunt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering moet worden toegekend en dat hiernaast een nawettelijke uitkering moet worden toegekend als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels is te wijten aan de betrokken ambtenaar. Dit is bij toepassing van de CAR/LAR niet anders.

4.5.2.

Ondanks dat aan appellante kan worden toegegeven dat ook aan de zijde van het college niet altijd op de juiste wijze is gecommuniceerd, is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het ontslag van appellante, gelet op wat in 4.4.2 is overwogen, grotendeels aan haarzelf is te wijten en dat het college haar daarom een nawettelijke uitkering heeft kunnen weigeren. Nu het bestuursorgaan geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, komt appellante evenmin in aanmerking voor een aanvullende vergoeding (plus).

Conclusie

5. Uit 4.1 tot en met 4.5.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en het incidenteel hoger beroep van het college slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 17 februari 2015 en 7 april 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017.

(getekend) K.J. Kraan

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD