Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
16/3746 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing maatwerkvoorziening voor vreemdeling op grond van koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2. van de Wmo 2015. Verwijzing naar de uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1. Beëindiging van de verleende opvang geen grondslag kan hebben in de Wmo 2015, zodat de Raad niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dit gericht is tegen het oordeel van de rechtbank over het niet tijdig nemen van een besluit tot beëindiging van de opvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3746 WMO15, 17/1023 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
29 april 2016, 15/4921 en 15/7602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken 16/3797, 16/3798, 16/3799, 16/3806, 16/3884, 16/3885, 16/3886, 16/3887, 16/3888, 16/3913, 16/1746, 16/2554, 16/2557, 16/3306, 16/3311, 16/3391, 16/3403, 16/3405, 16/3490, 16/3603, 16/3746, 16/3747, 16/3753 en 17/1023 heeft gevoegd plaatsgehad op 15 februari 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Appellant heeft het college verzocht een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen bestaande uit passende maatschappelijke opvang.

1.3.

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college dit verzoek afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 30 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 maart 2015 gegrond verklaard. Daarbij heeft het college, voor zover van belang, bepaald dat appellant op grond van artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) geen recht heeft op een maatwerkvoorziening, maar dat hij wel voor crisisopvang in aanmerking komt.

1.5.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Deze zaak staat bij de rechtbank bekend onder kenmerk 15/4921.

1.6.

Nadat de gemeentelijke opvang feitelijk was beëindigd heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot beëindiging. Deze zaak staat bij de rechtbank bekend onder kenmerk 15/7602.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep in de zaak met kenmerk 15/4921 ongegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de Wmo 2015. Daarbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 geoordeeld dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Het beroep in de zaak met kenmerk 15/7602 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant is geen vreemdeling als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en is ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld.

4.2.

In zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834, heeft de Raad, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor vreemdelingen als appellant niet langer zullen worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo 2015. De Raad heeft verder overwogen dat hij zich niet langer bevoegd zal achten om in hoger beroep kennis te nemen van geschillen over de uitvoering van deze ten opzichte van de Wmo 2015 buitenwettelijke gemeentelijke opvangregelingen.

4.3.

Onder verwijzing naar onder meer de in 4.2 genoemde uitspraak heeft de Raad in zijn uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1 verder geoordeeld dat de opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid (de staatssecretaris) vallen en dat met de tot het vreemdelingenrecht behorende voorzieningen een toereikende invulling moet worden gegeven aan het verdragsrecht. Daarbij is het in hoger beroep uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) om over de uitvoering hiervan te oordelen. Op basis hiervan en gelet op het bepaalde in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015, heeft de Raad geoordeeld dat deze vreemdelingen geen aanspraak kunnen maken op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant geen aanspraak kan maken op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015 en dat de bij het bestreden besluit verleende opvang geen opvang op grond van de Wmo 2015 is, maar opvang op grond van het buitenwettelijke gemeentelijke beleid. Hetgeen appellant in onderhavige zaak meer of anders heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de zaak met kenmerk 15/4921 en op de Wmo 2015 voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat ook de beëindiging van de verleende opvang geen grondslag kan hebben in de Wmo 2015, zodat de Raad niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dit gericht is tegen het oordeel van de rechtbank over het niet tijdig nemen van een besluit tot beëindiging van de opvang. De Raad zal zich dan ook onbevoegd verklaren voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de zaak met kenmerk 15/7602. Het hoger beroepschrift zal, voor zover hiertegen gericht, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb worden doorgezonden naar de Afdeling.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in de zaak met kenmerk 15/7602;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak in de zaak met kenmerk 15/4921 voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2017.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) R.H. Budde

RB