Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:83

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
15/6473 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet woonachtig op adres. Pintransacties in andere gemeente. Financiële situatie voorafgaande aanvraag niet inzichtelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6473 WWB

Datum uitspraak: 3 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 augustus 2015, 15/363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Heijningen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 3 oktober 2014 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Appellant heeft op het aanvraagformulier opgegeven te wonen op het adres [adres] (opgegeven adres). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een medewerker van Werkplein Centrum/Oost van de gemeente Amsterdam (Werkplein) een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie en de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is appellant verzocht om nadere gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften over de laatste tien maanden en een schriftelijke verklaring waarin appellant uitlegt waarvan hij de afgelopen periode heeft geleefd, voorzien van eventuele bewijsstukken. Appellant heeft een aantal gegevens overgelegd. Op 20 oktober 2014 heeft appellant telefonisch aan Werkplein gemeld dat een Hongaarse vriendin en haar kind bij hem komen wonen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 november 2014.

1.2.

Bij besluit van 11 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, op grond van zijn financiële, woon- en leefsituatie, recht op bijstand heeft. Uit de door appellant overgelegde gegevens kan onvoldoende worden afgeleid waarvan hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag heeft geleefd. Zijn stelling dat vrienden en familie in zijn levensonderhoud hebben voorzien, heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verder blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat voornamelijk pintransacties worden verricht in de omgeving van Alkmaar en Bergen en nauwelijks in Amsterdam. De verklaring van appellant dat hij elke dag door bekenden met de auto wordt opgehaald in Amsterdam en ’s avonds weer wordt teruggebracht, acht het college niet aannemelijk. Appellant heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in Amsterdam woont.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woont. Dat uit zijn bankafschriften blijkt dat hij in Alkmaar, Bergen en soms in Purmerend pint, wil niet zeggen dat hij niet op het opgegeven adres woont. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant gewezen op de in bezwaar overgelegde verklaringen van zijn buren. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt waarvan hij heeft geleefd in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag om bijstand. Appellant stelt geld te hebben geleend van vrienden en familie. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant gewezen op de in bezwaar overgelegde verklaringen van vrienden en familie. Omdat appellant ernstig ziek was in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand, kan hem niet worden aangerekend dat deze verklaringen pas achteraf zijn opgemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 3 oktober 2014 tot en met 11 november 2014.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene de nodige duidelijkheid te verschaffen. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van de verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.

4.3.

Voor de beoordeling van het recht op bijstand is de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woont. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat hij slechts enkele pintransacties in Amsterdam heeft gedaan, maar vrijwel dagelijks in Alkmaar, Bergen of in Purmerend. Appellant heeft in dit verband wisselende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij bij de aanvraag verklaard dat hij elke dag door bekenden met de auto werd opgehaald in Amsterdam en daar weer werd teruggebracht. Ter zitting heeft appellant echter verklaard dat hij vrijwel dagelijks met het openbaar vervoer naar Bergen en Alkmaar is gereisd. Op zijn bankafschriften zijn echter geen betalingen voor het openbaar vervoer zichtbaar. De door appellant ter zitting gegeven verklaring dat hij de kosten van het openbaar vervoer contant betaalde, komt de Raad niet aannemelijk voor, mede gelet op de omstandigheid dat uit de bankafschriften blijkt dat pintransacties bij benzinestations zijn verricht, terwijl op naam van appellant geen auto staat geregistreerd. Verder heeft appellant ter zitting verklaard dat hij ten tijde van de aanvraag zijn tijd voornamelijk in Alkmaar en Bergen doorbracht, waar ook zijn ex-vriendin en dochter wonen, en niet in Amsterdam. De melding van appellant aan het college dat hij tijdelijk een Hongaarse vriendin en haar zoontje opvangt in zijn woning, maakt de woon- en leefsituatie van appellant niet inzichtelijker. Voorts wordt aan de door appellant in bezwaar overgelegde verklaring van buurtbewoners niet die betekenis gehecht die appellant daaraan wenst toe te kennen. Deze summiere verklaring, niet meer inhoudende dan dat zijn buren hem regelmatig in het trappenhuis tegenkomen, heeft appellant zelf opgesteld en is slechts door zijn buren ondertekend.

4.4.

De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat de door appellant verstrekte gegevens onvoldoende zijn om inzicht te verkrijgen in zijn financiële situatie en dat met name onduidelijk is gebleven hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft bij de aanvraag verklaard dat hij in die periode door vrienden en familie is onderhouden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij in bezwaar verschillende verklaringen van vrienden en familieleden overgelegd. De door appellant overgelegde verklaringen omschrijven echter niet duidelijk op welke uitgaven of vaste lasten de gestelde leningen betrekking hebben. De verklaringen vermelden slechts het totaalbedrag van de leningen, maar niet op welke data het geleende aan hem ter hand is gesteld en ze bevatten geen concrete terugbetalingsverplichting. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften kan niet worden afgeleid dat appellant daadwerkelijk de gestelde leningen heeft ontvangen, noch dat een verband bestaat tussen de hoogte en de omvang van de leningen en de kasstortingen op de rekening van appellant. Voorts blijkt uit de bankafschriften dat ook door andere personen stortingen zijn verricht op zijn bankrekening en van deze personen heeft appellant geen verklaringen overgelegd.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat appellant niet de nodige duidelijkheid heeft verschaft ten aanzien van zijn financiële, woon- en leefsituatie. Daarmee is appellant tekortgeschoten in de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) L.V. van Donk

HD