Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:80

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16/3096 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gesteld. in verband met gevraagde ingangsdatum bankafschriften over langer dan 3 maanden opgevraagd. Verzocht uitstel niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3096 PW

Datum uitspraak: 10 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 maart 2016, 15/5876 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Voor appellante is

mr. Nieuwstraten verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.C. Rolle.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving tot 22 mei 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Zij heeft op 13 mei 2015 een aanvraag om bijstand ingediend. Bij brief van 10 juni 2015 heeft het college appellante verzocht vóór 18 juni 2015 bankafschriften van haar ING-rekening van de maanden januari en februari 2015 en bankafschriften van haar Oranje spaarrekening vanaf januari 2015 over te leggen. Appellante heeft hierop niet gereageerd.

1.2.

Bij besluit van 18 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft ingeleverd. De ontbrekende gegevens zijn noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Ook rekening houdend met de door appellante genoemde problemen bij het verkrijgen van de bankafschriften is volgens het college voldoende tijd gegeven om de ontbrekende gegevens te verstrekken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft het oordeel van de rechtbank dat het college van appellante bankafschriften over een langere periode dan drie maanden mocht verlangen, bestreden.

Zij heeft betwist dat het college daarmee een compleet beeld van de financiële situatie van appellante zou krijgen. Als het college dit had gewild, had het de bankafschriften over het hele jaar voorafgaande aan de aanvraag moeten opvragen. Het verkrijgen van een compleet beeld is bovendien volgens appellante een te onbepaalde grond voor een dergelijke opvraag van gegevens.

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Daarbij kan het bijstandverlenend orgaan zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden voorafgaande aan de aanvraag.

4.3.

Appellante heeft op het aanvraagformulier bijstand melding gemaakt van schulden, leningen, woonlasten (€ 300,- per maand) en betalingsachterstanden. Als gewenste ingangsdatum van de bijstand heeft zij 1 juli 2014 opgegeven. Gelet hierop was er voor het college voldoende aanleiding om bankafschriften over een langere periode dan drie maanden op te vragen. Dat daarmee niet de hele periode vanaf de voorgaande beëindiging in beeld komt, leidt niet tot een ander oordeel. Bovendien viel niet uit te sluiten, zo heeft het college in het verweerschrift opgemerkt, dat het college na ontvangst van de gevraagde bankafschriften alsnog de bankafschriften daaraan voorafgaand vanaf de eerdere beëindiging van bijstand per 22 mei 2014 zou hebben opgevraagd. Hierin ligt besloten dat het verkrijgen van een compleet beeld niet een te onbepaalde grond is voor opvraag van de bankafschriften van appellante vanaf januari 2015.

4.4.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij op of omstreeks 13 juni 2014 via het servicenummer 14010 om nader uitstel voor het inleveren van de gevraagde bankafschriften heeft gevraagd. De omstandigheid dat dit niet is geregistreerd in het systeem van het college, mag niet voor rekening en risico komen van appellante. Appellante heeft verder aangevoerd dat er al jarenlang klachten bestaan over de wijze van communiceren van Werk en Inkomen en het servicenummer 14010, waarvoor ze heeft verwezen naar de jaarverslagen van de Gemeentelijke Ombudsman van de afgelopen jaren.

4.5.

Dat appellante via het servicenummer 14010 nader uitstel zou hebben gevraagd, heeft zij in beroep aangevoerd. Appellante heeft desgevraagd ter zitting van de rechtbank geantwoord dat zij niet meer weet hoe dit is gegaan. Ter zitting van de Raad heeft mr. Nieuwstraten opgemerkt dat zij dit ook niet aan de hand van de telefoonrekening van appellante heeft kunnen achterhalen. Het college heeft bovendien aan de hand van een uitdraai van de contactmomenten met appellante aannemelijk gemaakt dat appellante tussen 3 juni 2015 en 30 juni 2015 geen contact heeft gehad met het servicenummer 14010. Derhalve heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij op of omstreeks 13 juni 2015 uitstel heeft gevraagd voor het inleveren van de bankafschriften.

4.6.

De omstandigheid dat artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geen verplichting maar een bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag inhoudt, leidt, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.8.

Het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade wordt derhalve afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.E. Bon

HD