Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:78

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16/2057 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorbeelduitspraak na sprong-beroep (8:113 lid 2 Awb) Omvang geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2057 WWB

Datum uitspraak: 10 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 22 februari 2016

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3931, heeft de Raad de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 21 april 2015, 15/1373, vernietigd, het beroep tegen het besluit van 27 februari 2015 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Het college heeft op 22 februari 2016 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).

Namens appellante heeft mr. H.A. Schenke, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/2067 WWB, plaatsgevonden op

29 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schenke. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.A. Marinus. In de genoemde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 november 2015. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 november 2015 geoordeeld dat het college ten onrechte de aanvraag om bijstand van appellante ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van 9 december 2013 heeft afgewezen. De Raad heeft hiertoe overwogen dat appellante, anders dan het college had aangenomen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode in geding, lopend van 9 december 2013 (de datum van de aanvraag) tot en met

27 februari 2014 (de datum van het primaire afwijzingsbesluit), in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Bij de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar dient het recht op bijstand alsnog te worden vastgesteld. Daarbij mag het college in aanmerking nemen dat appellante minder kosten had omdat zij inwonend was en de hoofdbewoners de kosten van de huur, overige woonlasten en de kosten van het eten voor hun rekening hebben genomen. Volgens het overzicht dat appellante in februari 2015 zelf heeft opgesteld, gaat het daarbij in de periode in geding om € 250,- aan huur, water en energie en € 200,- aan eten, in totaal

€ 450,- per maand.

2. Het college heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college, voor zover hier van belang, over de in geding zijnde periode bijstand ingevolge de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20% en daarbij een verlaging van de bijstandsnorm toegepast van € 450,- per maand.

3. Appellante heeft tegen het bestreden besluit, kort weergegeven, aangevoerd dat het college ten onrechte een verlaging heeft toegepast op de bijstandsnorm op de grond dat sprake was van een kostenbesparing. Appellante had met de hoofdbewoners afgesproken dat zij de kosten van de huur, water, energie en eten zouden voorschieten zolang zij nog geen bijstandsuitkering had, maar dat ze die kosten later zou terugbetalen. Er was dus sprake van leningen. Inmiddels betaalt appellante die leningen ook terug, waarvan zij bewijzen heeft ingezonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 november 2015 een eindoordeel gegeven over de beroepsgrond dat sprake was van leningen en heeft daarbij die beroepsgrond verworpen. Wat appellante hier thans nog tegen inbrengt kan niet meer aan de orde komen omdat de omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het college met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. In de uitspraak van 10 november 2015 had de Raad al overwogen dat het college in de periode in geding € 450,- per maand mocht korten op de bijstand. Het college heeft aan de opdracht van de Raad voldaan door aan appellante over de in geding zijnde periode bijstand toe te kennen naar de voor haar geldende norm en daarop het bedrag van € 450,- per maand in mindering te brengen.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 22 februari 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2017.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.E. Bon

HD