Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
16/4627 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden het rapport van de controleurs en de daarbij gevoegde verklaring van de hoofdbewoner wel een voldoende feitelijke grondslag voor de herziening van de studiefinanciering van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4627 WSF

Datum uitspraak: 1 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 juni 2016, 16/1822 en 16/1889 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F. Bakker, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bakker.


OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft, voor zover hier van belang, met ingang van februari 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan betrokkene toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voortgezet voor de periode januari 2016 tot en met juli 2016. Betrokkene staat vanaf 26 januari 2015 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het [adres] te [woonplaats].

1.2.1.

Op 3 februari 2016 hebben twee controleurs in opdracht van appellant onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder betrokkene op dat moment in de brp stond ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is op 5 februari 2016 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoner gevoegd.

1.2.2.

In het rapport is – onder meer – vermeld dat in de kamer die de hoofdbewoner als kamer van betrokkene heeft laten zien – onder meer – een opgemaakt tweepersoonsbed en op de grond enkele losse kledingstukken en een deken zijn aangetroffen. Op de vraag of de hoofdbewoner kleding en/of spullen van betrokkene kon laten zien, heeft de hoofdbewoner verklaard dat het beddengoed, de deken en enkele losse kledingstukken alsmede de klok aan de muur en de ventilator van betrokkene zijn. Vervolgens heeft de hoofdbewoner verklaard dat de rest van de kleding van betrokkene alsmede zijn verzorgingsspullen in een andere kamer liggen. Blijkens het rapport liggen in deze andere kamer in een kast nog wat kledingstukken en bij een wasbak verzorgingsspullen die volgens de hoofdbewoner van betrokkene zijn. De hoofdbewoner heeft verklaard dat hij alles van betrokkene heeft laten zien en dat deze de laatste tijd over het algemeen vaker elders slaapt dan op het brp-adres. Ten slotte heeft hij verklaard dat hij zal doorgeven dat betrokkene zich moet laten inschrijven op het adres van zijn hoofdverblijf.

1.3.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, op basis van het rapport en de verklaring, zoals die onder 1.2.2 zijn weergegeven, bij besluit van 12 februari 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 19 april 2016 (bestreden besluit), de aan betrokkene toegekende studiefinanciering per 1 februari 2015 herzien in die zin dat betrokkene vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan betrokkene over de periode van februari 2015 tot en met januari 2016 te veel betaalde bedrag van € 2.459,36 is daarbij van hem teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 12 februari 2016 herroepen.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden het rapport van de controleurs en de daarbij gevoegde verklaring van de hoofdbewoner niet een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene op het moment van de controle naar zijn woonsituatie niet op het brp-adres woonde. Hiertoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat blijkens het rapport en de verklaring wel degelijk spullen van betrokkene op het brp-adres lagen, waaronder kleding en verzorgingsspullen, dat er, gelet op hetgeen betrokkene heeft verklaard, onder het bed in zijn kamer ook nog andere spullen van hem lagen, waaronder een deel van zijn administratie en studieboeken, waar de hoofdbewoner geen weet van had, dat betrokkene een plausibele verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat slechts weinig spullen van hem op het brp‑adres lagen, dat betrokkene eveneens een plausibele verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat geen studieboeken en/of studiematerialen van hem op het brp-adres zijn aangetroffen en dat het feit dat betrokkene vrij veel uithuizig is, niet maakt dat hij niet zijn hoofdverblijf op het brp-adres heeft.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het rapport van de controleurs en de verklaring van de hoofdbewoner niet een voldoende feitelijke grondslag bieden voor zijn standpunt dat betrokkene op het moment van de controle naar zijn woonsituatie niet op het brp-adres woonde. Hierbij heeft appellant – in het bijzonder – erop gewezen dat tijdens het onderzoek op het brp-adres niets is aangetroffen dat aantoonbaar aan betrokkene toebehoort en hij heeft reisgegevens overgelegd.

3.2.

Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank in zijn geheel onderschreven.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Nu een herziening als hier aan de orde een belastend besluit is, moet appellant aannemelijk maken dat betrokkene niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn opgenomen.

4.2.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden het rapport van de controleurs en de daarbij gevoegde verklaring van de hoofdbewoner wel een voldoende feitelijke grondslag voor de herziening van de studiefinanciering van betrokkene. Appellant heeft, wat er zij van de reisgegevens, met het rapport en de verklaring aannemelijk gemaakt dat betrokkene op het moment van de controle naar zijn woonsituatie, niet op het brp-adres woonde en daarmee voldaan aan zijn in 4.1 omschreven bewijslast. Hierbij wordt in het bijzonder erop gewezen dat blijkens de verklaring van de hoofdbewoner in het geheel geen tot betrokkene te herleiden spullen op het brp-adres lagen. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van deze verklaring. Waar betrokkene stelt dat hij ten tijde van het onderzoek al een jaar op het brp-adres woonde, valt redelijkerwijs te verwachten dat op dat adres spullen van betrokkene zouden liggen, waaruit kan worden afgeleid dat hij daar woonde.

4.2.1.

Het eerst in beroep naar voren gebrachte betoog dat de controleurs tijdens het onderzoek op het brp-adres niet alle spullen van betrokkene hebben gezien en dat onder het bed in zijn kamer ook nog andere spullen van hem lagen, waaronder een deel van zijn administratie en studieboeken, zijn sieraden en zijn paspoort, treft geen doel. Dit betoog is ongeloofwaardig. Hierbij wordt – met name – in aanmerking genomen dat betrokkene niet consistent heeft verklaard welke spullen hij in zijn kamer op het brp-adres had. Zo heeft betrokkene in bezwaar de bevindingen van de controleurs bevestigd dat hij slechts weinig spullen in zijn kamer op het brp‑adres had en heeft hij juist verklaard dat hij daar geen studieboeken en geen administratie had. Betrokkene had al zijn studieboeken meegenomen naar school en had al zijn administratie ondergebracht bij zijn moeder. Voorts heeft betrokkene in bezwaar met geen woord erover gerept dat hij ook nog spullen onder het bed in zijn kamer had.

4.2.2.

Het eveneens eerst in beroep naar voren gebrachte betoog dat de hoofdbewoner tijdens het onderzoek op het brp-adres veel meer kleding van betrokkene aan de controleurs heeft laten zien, waaronder broeken, shirts, ondergoed en sokken, treft evenmin doel. Nog daargelaten dat dit betoog moeilijk te rijmen is met de verklaring van betrokkene in bezwaar, dat hij op het moment van het onderzoek naar zijn woonsituatie net zijn wasgoed naar zijn moeder had gebracht en daarom nog maar twee onderbroeken en een paar sokken op het brp-adres had, doet dit betoog geen afbreuk aan de omstandigheid dat in het geheel geen tot hem te herleiden spullen op het brp‑adres lagen.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.2 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) R.H. Budde

CVG