Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:72

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
16/1269 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Aannemelijk is ... dat de schatting de directe en indirecte uren tezamen appellant ten minste gedurende tien uur per week hebben bezig gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1269 WW

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

13 januari 2016, 15/2482 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Appellant en
mr. Penners zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 4 juni 2012 in het genot van een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW). Bij brief van 11 februari 2015 heeft het Uwv appellant onder meer meegedeeld dat uit een controle is gebleken dat appellant vanaf 6 januari 2014 inkomsten heeft gehad uit werkzaamheden als zelfstandige (het plaatsen van personeel bij opdrachtgevers) waarvan hij het Uwv geen opgave heeft gedaan. Omdat appellant geen administratie van gewerkte uren had bijgehouden, heeft het Uwv de als zelfstandige gewerkte uren schattenderwijs vastgesteld op tien per week.

1.2.

Bij een eerste besluit van 17 maart 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 6 januari 2014 herzien en een bedrag van € 7.194,53 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 6 januari 2014 tot en met 2 november 2014 teruggevorderd.

1.3.

Bij een tweede besluit van 17 maart 2015 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 3.950,- wegens overtreding van de inlichtingenplicht.

1.4.

Appellant heeft tegen de beide besluiten van 17 maart 2015 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 3 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard en zijn besluiten van 17 maart 2015 gehandhaafd.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft in de procedure bij de rechtbank uiteengezet dat voor de schatting van het aantal per week gewerkte uren is uitgegaan van de door appellant alsnog opgegeven inkomsten, dat het bedrag van de gemiddelde verdiensten per week is gedeeld door het bedrag van het wettelijke minimumuurloon en dat de uitkomst van deze berekening is afgerond op tien uur per week. Het Uwv heeft ook naar voren gebracht dat de boete met toepassing van de Beleidsregel boete werknemer 2013 moet worden bepaald op € 10,- omdat appellant in 2015 geen aflossingscapaciteit heeft.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de boete is bepaald op € 3.950,-, de boete vastgesteld op € 10,- en bepalingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3.1.

Appellant is van de aangevallen uitspraak in hoger beroep gekomen. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij alleen opkomt tegen het oordeel van de rechtbank over de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en dat hij de boete niet langer betwist.

3.2.

Volgens appellant is het dictum van de aangevallen uitspraak gebrekkig omdat daaruit niet het oordeel van de rechtbank over de herziening en de terugvordering blijkt. Tegen de herziening en terugvordering heeft appellant aangevoerd dat het Uwv als grondslag van zijn berekening ten onrechte een bedrag aan inkomsten inclusief BTW heeft genomen en dat de uitkomst van de berekening ten onrechte is afgerond.

3.3.

Volgens het Uwv moet de aangevallen uitspraak, voor zover appellant die in hoger beroep heeft aangevochten, worden bevestigd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de overwegingen 9 tot en met 11 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat er een gebrek kleeft aan de aangevallen uitspraak omdat het dictum niet over de herziening en de terugvordering van de WW-uitkering rept. Uit de overwegingen 12 tot en met 16 van de aangevallen uitspraak blijkt duidelijk het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit, voor zover dit de herziening en de terugvordering betreft, juist is. Het dictum is met dit oordeel in overeenstemming.

4.3.

De beroepsgronden van appellant dat het Uwv had moeten uitgaan van een bedrag exclusief BTW en de uitkomst van de berekening niet op hele uren had mogen afronden, ziet eraan voorbij dat het Uwv – bij gebrek aan een urenopgave van appellant – de gewerkte uren mocht schatten (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1802 en ECLI:NL:CRVB:2013:1778). Van een onredelijke schatting is geen sprake. Het Uwv heeft bij de schatting gebruikt gemaakt van de door appellant aangereikte gegevens over zijn inkomsten en geen onjuiste keuze gemaakt door te rekenen met het bedrag van het wettelijke minimumuurloon. Bij de schatting is een afronding gepast. Ook dat is niet onredelijk.

4.4.

Het Uwv heeft ter zitting toegegeven dat het juister was geweest als voor zijn berekening het door appellant opgegeven bedrag aan inkomsten uit geslaagde bemiddelingen was verminderd met het door hem aan BTW af te dragen bedrag. Het Uwv heeft aangevoerd dat daartegenover staat dat hij bij zijn berekening alle zogenoemde indirecte uren van appellant buiten beschouwing heeft gelaten. Ter zitting is vastgesteld dat appellant gemiddeld acht uur per week (volgens hem in het verband van een soort stage) bezig was met – al dan niet geslaagde – bemiddelingen en verder tijd besteedde aan het voorbereiden van de start van zijn eigen onderneming met onder meer het doorzoeken van het internet en het lezen van vakliteratuur. Aannemelijk is daarmee dat de schatting de directe en indirecte uren tezamen appellant ten minste gedurende tien uur per week hebben bezig gehouden.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover appellant deze heeft aangevochten, wordt bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en
G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

SS