Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
16-3074 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om doorstroming. Appellant heeft in zijn functioneren als generalist GGP in onvoldoende mate laten zien dat hij geschikt is om als meest ervaren collega acties te coördineren en dus ook niet over de verwachte geschiktheid beschikt voor de functie van senior GGP. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpschef in redelijkheid tot dit negatieve oordeel over de verwachte geschiktheid kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3074 AW

Datum uitspraak: 23 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

30 maart 2016, 14/5334 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Yildiz hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de korpschef gereageerd op een vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yildiz. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.C.M. Steenberghe en C. van Zutphen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 juli 2009 werkzaam in de functie van Politieagent B, generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP), bij de voormalige politieregio [regio] .

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn neergelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche, Stcrt. 2010, 19782 (circulaire). Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior binnen de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Er zijn nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld. De korpschef heeft het loopbaanbeleid alsmede deze uitvoeringsafspraken ten grondslag gelegd aan zijn beslissingen op verzoeken om doorstroming.

1.3.

Op 10 oktober 2011 is het functioneren van appellant over de periode 15 maart 2010 tot 10 oktober 2011 beoordeeld. Deze beoordeling is op 21 oktober 2011 door de beoordelingschef vastgesteld. De eindbeoordeling is “goed” (beoordeling 1). Vervolgens heeft appellant verzocht om doorstroming naar de functie van senior GGP.

1.4.

Bij besluit van 25 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2014 (bestreden besluit), heeft de korpschef het verzoek om doorstroming van appellant afgewezen op de grond dat hij niet beschikt over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Bij dit besluit is, naast beoordeling 1, tevens betrokken de beoordeling over het functioneren van appellant in de periode oktober 2011 tot maart 2013 (beoordeling 2). Deze beoordeling is door het bevoegd gezag vastgesteld op 17 oktober 2013. De eindbeoordeling is “goed”.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij - kort gezegd en voor zover hier van belang - overwogen dat uit de beoordelingen blijkt dat de leidinggevende van appellant vindt dat hij meer kracht en geloofwaardigheid moet uitstralen, meer contact met collega’s moet zoeken, dat hij beter met feedback moet omgaan en dat hij meer inzicht zou moeten vormen over zijn eigen kwaliteiten en ontwikkelpunten. Daarnaast blijkt de leidinggevende van mening dat doorontwikkeling niet ligt in het zogenaamde ‘blauw’, maar eerder in de richting van recherche of die van specialist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef hieruit mogen concluderen dat appellant niet over de verwachte geschiktheid beschikt voor de functie van senior GGP. Dat hij in de periode van maart 2013 tot en met september 2014 was aangesteld als medewerker bij het Regionaal Coördinatiepunt aanpak hennepteelt, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dit buiten de te beoordelen periode voor bevordering valt.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat uit de bewoordingen in de beoordelingen niet een verwachte geschiktheid voor senior binnen de GGP kan worden afgeleid. Zo blijkt nergens de verwachting uit dat appellant geschikt wordt geacht om als meest ervaren collega acties te coördineren. Uit de beoordeling blijkt juist dat de doorontwikkeling niet ligt in het zogenaamde ‘blauw’, maar eerder in de richting van de recherche of die van specialist. Verder blijkt dat appellant een coördinator noodhulp (cono) traject heeft gevolgd en dat hij niet over de capaciteiten bleek te beschikken die in deze rol werden gevraagd. Dit traject is vervolgens stopgezet. Voorts blijkt uit de beoordelingen dat appellant zich gespecialiseerd heeft in het taakaccent hennepkwekerijen, in plaats van zijn ervaring te verbreden in de richting van senior.

4.2.

Appellant betoogt dat het enkele feit dat in de beoordeling is opgenomen dat zijn leidinggevende een carrière voor hem weggelegd ziet buiten het ‘blauw’ nog niet maakt, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, dat hij niet tevens verwacht geschikt kan zijn voor de functie van senior GGP.

4.3.

Het is juist dat de enkele constatering door de leidinggevende van appellant dat hij een carrière voor appellant weggelegd ziet buiten het ‘blauw’ niet maakt dat hij niet verwacht geschikt kan zijn voor de functie van senior GGP. Dit neemt echter niet weg dat appellant dient te voldoen aan het in het loopbaanbeleid gestelde vereiste ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’.

4.4.

Appellant heeft in dat kader aangevoerd dat hij beschikt over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Daartoe heeft hij gewezen op de over hem opgemaakte beoordelingsformulieren en gesteld dat daaruit blijkt dat hij heeft voldaan aan de voorwaarde dat hij in de beoordeelde periode heeft gecoördineerd, namelijk als taakaccenthouder hennepkwekerijen, en daar goed toe in staat bleek te zijn.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat appellant weliswaar heeft gecoördineerd als taakaccenthouder hennepkwekerijen, maar dat de door appellant verrichte coördinerende werkzaamheden niet op één lijn zijn te stellen met het coördinatievermogen en het coach/mentorschap behorend bij de werkzaamheden van een senior GGP. Voorts staat vast dat appellant in de beoordelingsperiode in het zogenoemde cono-traject heeft gezeten en dat na een begeleidingsperiode is geconcludeerd dat hij niet over de capaciteiten beschikt die in deze rol gevraagd worden. In met name de manier van communiceren, het bewaren van overzicht en het hebben van draagvlak is appellant tekortgeschoten. Er is ook geen stijgende lijn waargenomen, wat cruciaal is om te spreken van ontwikkeling. Het traject is om die reden door zijn leidinggevende beëindigd. Op grond daarvan heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat appellant in zijn functioneren als generalist GGP in onvoldoende mate heeft laten zien dat hij geschikt is om als meest ervaren collega acties te coördineren en dus ook niet over de verwachte geschiktheid beschikt voor de functie van senior GGP. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpschef in redelijkheid tot dit negatieve oordeel over de verwachte geschiktheid kunnen komen.

4.6.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit op het punt van de beoordeling van de verwachte geschiktheid in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur is. Hij heeft daartoe gesteld dat vijf collega’s die ook niet voldeden aan het gestelde vereiste ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’ wel zijn bevorderd.

4.7.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet aan de hand van concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van, op de rechtens relevante aspecten, gelijke gevallen.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.A.E. Bon

HD