Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
15/4660 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Raad wordt onvoldoende duidelijk dat de activiteiten van IE Quest daadwerkelijk (mede) waren gericht op het in de thuissituatie concreet ondersteunen van appellant bij vaardigheden, handelingen of het aanbrengen van structuur en regie. Ook uit de genoemde schriftelijke toelichting en de ter zitting gegeven voorbeelden over samen met de begeleider bakken en veilig deelnemen aan het verkeer komt naar voren dat het zwaartepunt van de activiteiten ligt bij het aanleren en ontwikkelen van vaardigheden, gedrag en structuur. Het daadwerkelijk bieden van ondersteuning aan appellant komt daarbij onvoldoende aan bod. Dit betekent dat de verleende zorg niet kan worden aangemerkt als zorg in de zin van artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4660 AWBZ

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 juni 2015, 14/282 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [moeder] , heeft mr. A. Bijlsma hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Voor appellant zijn verschenen mr. Bijlsma en [moeder] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Kelderhuis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 2000, ondervindt psychosociale gedragsproblemen die voortkomen uit de combinatie van hoogbegaafdheid en ADHD. De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg heeft appellant in verband hiermee op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie verleend voor Begeleiding in uren, klasse 1, en Begeleiding in dagdelen met vervoer, 1 dagdeel. Voor het realiseren van die zorg heeft het Zorgkantoor aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 5.567,83. Daarbij is gewezen op de verplichting om het pgb alleen te gebruiken voor het inkopen van zorg als bedoeld in de Rsa. Ook is gewezen op de verplichting om verantwoording af te leggen.

1.2.

Appellant heeft op 20 juli 2013 verantwoording afgelegd over de besteding van het pgb over de eerste helft van het jaar 2013. Daarbij is een bedrag van € 3.106,62 verantwoord voor Begeleiding met vervoer verleend door zorgverlener IE Quest.

1.3.

Bij besluit van 9 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 december 2013, heeft het Zorgkantoor de verantwoording afgekeurd. Hieraan heeft het Zorgkantoor, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Uit het zorgplan 2013 blijkt dat in het budgetjaar 2013 geen zorg wordt verleend die met onderwijs te maken heeft. Echter, het gaat bij de verleende zorg nog steeds om het aanleren of het ontwikkelen van zaken en vaardigheden. Dit is geen begeleiding, aldus het Zorgkantoor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de in beroep door het Zorgkantoor gegeven nadere motivering van het bestreden besluit, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de activiteiten van IE Quest geen begeleiding zijn als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Besluit). Gelet op de doelstellingen van het zorgplan 2013 zijn de activiteiten van IE Quest in de kern gericht op het aanleren van vaardigheden of handelingen, het aanleren van het aanbrengen van structuur, het voeren van regie en niet op het concreet ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Appellant houdt vast aan zijn standpunt dat de activiteiten van IE Quest wel onder begeleiding vallen. Volgens appellant heeft de rechtbank zijn persoonlijke situatie onvoldoende in de beoordeling betrokken. Niet de zorgovereenkomst, maar de feitelijke omstandigheden dienen doorslaggevend te zijn. Ten slotte verzoekt appellant vergoeding van de geleden schade bestaande uit wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de door IE Quest aan appellant verleende zorg kan worden aangemerkt als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit.

4.2.

Begeleiding in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Besluit omvat activiteiten aan verzekerden met, voor zover hier van belang, een psychiatrische aandoening of beperking die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie of die matig of zwaar probleemgedrag vertonen. Voor zover hier van belang bestaan die activiteiten ingevolge het derde lid, aanhef en onder a en b, uit het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen of het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie.

4.3.

Het zorgplan 2013 noemt de volgende doelstellingen:

“Benjamin:

- ontwikkelt vaardigheden of handelingen, die hij in zijn dagelijkse praktijk kan toepassen;

- oefent in het aanbrengen van structuur en uitvoeren (regie) hiervan;

- leert omgaan met zijn problemen voortkomend uit zijn gedrag (….);

- leert te handelen door eerst te denken en dan te doen.”

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in het zorgplan 2013 opgenomen doelen hoofdzakelijk zijn gericht op het leren en ontwikkelen van vaardigheden of handelingen en het leren omgaan met bepaalde situaties.

4.4.

Zoals naar voren komt uit de uitspraak van de Raad van 28 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5054, kan in aanvulling op de doelen van het zorgplan betekenis toekomen aan door de betrokkene gegeven informatie over de zorgverlener en de in concreto gegeven zorg. In het geval van appellant staan de doelstellingen duidelijk omschreven in het zorgplan 2013. Over de in de praktijk hieraan gegeven invulling vermeldt de in beroep overgelegde brief van IE Quest van 26 augustus 2014 het volgende. Het gaat om op de praktijk gerichte begeleiding in de vorm van hulp bij allerlei praktische activiteiten, die geen betrekking heeft op schoolse zaken of onderwijs en geenszins het karakter heeft van therapie. De bij de brief gevoegde bijlage van 27 december 2013 vermeldt nog dat het kind helpen bij dingen die zich voordoen binnen de praktijk van alle dag ook te maken heeft met het aanreiken van tools/vaardigheden om juist om te kunnen gaan met ADHD. Daarbij wordt, aldus de bijlage, het kind ondersteund als het zich voordoet, in zijn directe omgeving in de praktijk van alle dag, zonder dat sprake is van het aanleren door middel van een gestructureerde behandelmethode.

4.5.

Uit de onder 4.4 weergegeven toelichting op het zorgplan 2013 en het ter zitting van Raad besprokene wordt naar het oordeel van de Raad onvoldoende duidelijk dat de activiteiten van IE Quest daadwerkelijk (mede) waren gericht op het in de thuissituatie concreet ondersteunen van appellant bij vaardigheden, handelingen of het aanbrengen van structuur en regie. Ook uit de genoemde schriftelijke toelichting en de ter zitting gegeven voorbeelden over samen met de begeleider bakken en veilig deelnemen aan het verkeer komt naar voren dat het zwaartepunt van de activiteiten ligt bij het aanleren en ontwikkelen van vaardigheden, gedrag en structuur. Het daadwerkelijk bieden van ondersteuning aan appellant komt daarbij onvoldoende aan bod. Dit betekent dat de verleende zorg niet kan worden aangemerkt als zorg in de zin van artikel 6 van het Besluit.

4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

IJ